vrijdag 31 december 2010

2010

Mijn 2010, in 25 tweets. Of dagboekaantekeningen, hoe je het wilt.

Nu al de meest geniale actie van 2010: ik heb de voicemail van mijn mobiel permanent UITGEZET. Heer-lijk.

Australiër met T-shirt met opschrift Up the bum no babies tegen Indonesische ober in chic restaurant op Bali: “Fish and chips please.”

Vrouw, bellend naar telefoonpanel inzamelingsactie Haïti waar ik vanavond zat: “Wat bent u voor een waardeloze BN’er! Ik ken u niet eens!” Ze heeft gelijk.

Vandaag sprak ik in Moskou een advocaat die het voor mishandelde dieren opneemt. Zij droeg een heel mooie bontjas.

Op PvdA-verkiezingsposter: ‘Iedereen telt mee.’ Aanhalingstekens impliceren dat ze het eigenlijk niet menen?

Vrienden in Moskou moeten altijd lachen als ik zeg dat burgemeester van A’dam Job Cohen heet. Job = ‘neuk’ in het Russisch.

Over as: De problemen kunnen ‘een paar dagen of een paar jaren duren’, zegt een woordvoerster van de IJslandse luchtvaartautoriteiten.

Eigenlijk moet ik inpakken voor mijn vlucht naar New York morgen. In plaats daarvan herlees ik een Vonnegut, mijn troost in absurde tijden.

Arabisch gezegde uit een artikel: ‘De ziel reist niet sneller dan een kameel.’ Vliegtuigen gaan te snel voor menselijke geest.

Nog meer post van gemeente: ‘In het verleden van de Giro d’Italia zijn er tijdens de etappes ongelukken gebeurd met loslopende huisdieren.’

Mijn vader, tegen verkoopster: “Er staat dat deze mobiele telefoon uit het assortiment verdwijnt. Kan ik er dan nog wel mee bellen?”

Uit mijn raam: Tussen de bergen met vuilnis door staking loopt een man met een prikker en een zak.

Zojuist van T-Mobile op Vodafone overgestapt. Ben door T-Mobile wel een specialist in zelf aanvullen van half ontvangen gesprekken.

Op Cohen stemmen dan maar. In vredesnaam.

Hoe komt het dat er een disproportioneel groot aantal zeer goede detective-schrijvers uit Zweden komt?

Wat is het toch hypocriet om BP de schuld te geven. Voor wie pompen ze nou helemaal die olie uit de grond? Wij zijn toch net zo schuldig?

Over voetbalcommentaar, een mooi Frank Snoeksje: ‘Deze jongen werd op jonge leeftijd in een plaggenhut geboren.’

Hebben jullie dat filmpje al gezien van die man in dat aquarium die alle wedstrijden van het WK voor octopussen juist voorspelt?

Geen vakantie door Zomergasten. Er zit bij de Hermitage een tropische krekel in de boom die heel veel lawaai maakt. Ga erheen, doe je ogen dicht en je waant je in de Provence.

Net plaspauze getimed in de Zomer­gasten-studio. Ik klokte 1 minuut 17, inclusief rustig afschudden. Niet slecht, al zeg ik het zelf.

In de Jordaan verkopen ze rugzakken voor iPads. Zal niet goed verkopen. De hele point van een iPad is toch er ostentatief mee rondlopen?

Man van stomerij, met vies gezicht wijzend naar donsjas: “Wat zijn dit voor vlekken?” Ik: “Walvisblubber.”

Bij Vodafone-klantenservice krijg je niet eens iemand aan de lijn; verbinding wordt verbroken. Is er een geheim wachtwoord of zo?

Politie komt kinderpornobestrijders tekort, lees ik. Beste Geert Wilders, kunnen jullie daar niet je 500 animal cops voor inzetten?

Bestaan er ook winterbanden voor fietsen?

maandag 27 december 2010

Kikkerpoten

Dit is een waargebeurd kerstverhaal. Het was december 2001, twee maanden na de aanslagen op het WTC. Niemand wilde vliegen, en al helemaal niet naar Indonesië. Ik was een reislustige student en had niet veel geld. Een goed moment dus om een verre reis te maken. Met een vriendin vloog ik met Royal Jordanian Airlines voor een habbekrats naar Jakarta.
Vanuit Jakarta, waar geen enkele toerist te bespeuren was, trokken wij via Bandung, waar wij de enige gasten waren, naar Pangandaran aan de zuidkust van Java. Wij namen gelijk een duik in een lagune die kennelijk ernstig vervuild was, want de vijf dagen die erop volgden bracht ik door op de mandi van mijn rieten hutje. Pas in Indonesië begreep ik wat echte diarree is: als je niet meer weet of je aan het poepen of aan het plassen bent.
Op eerste kerstdag, na vijf dagen ziekte, was ik er zeer slecht aan toe. Aangezien ik een armzalige student was had ik geen ziektekostenverzekering, laat staan een reisverzekering, en kon ik niet naar een goed ziekenhuis gaan. Een jongen die elke dag kwam schoonmaken in het hotel had kennelijk met mij te doen en begon een lang verhaal in het Javaans. Ik begreep hem niet, maar hij gebaarde naar zijn brommer.
Er zijn momenten dat je je intuïtie moet volgen en het volste vertrouwen moet hebben in een vreemdeling. Dit was zo'n moment. Ik sprong achterop de brommer van de jongen, en we reden diep een of andere kampong in. Wij stopten bij een huisje met golfplaten dak en liepen een onverlichte ruimte in. Een oud vrouwtje stond voor een groot aantal potten met onduidelijke inhoud, een soort griezelversie van Jiskefets Dierenwinkel. De jongen vertelde wat mijn probleem was, en de vrouw pakte uit diverse potten gedroogde dingen die een beetje riekten. Ik zag onder meer de snavel van een vogel, en opgedroogde kikkerpoten. Tenminste, dat denk ik: de brommerjongen zei 'kwak kwak'. Zij stampte het samen tot een zwart plakkerig goedje en vertelde mij dat ik het met wat heet water op moest drinken.

De rest van de dag bracht ik door in een soort droomtoestand. Ik was wakker maar had wilde hallucinaties. Ook kon ik ineens de brommerjongen, die mij gezelschap hield en nog steeds enthousiast in het Javaans tegen mij praatte, verstaan. Vraag mij niet hoe, maar ik begreep dat hij een verhaal vertelde over een waterbuffel die was gestolen van de sawa van zijn ouders. De volgende dag, op Tweede Kerstdag, werd ik weer gezond wakker en konden we door naar Yogyakarta. Elk jaar met kerst denk ik aan mijn verblijf in Pangandaran, en dat je soms achterop de scooter moet springen van een jongen die je niet verstaat.

In: Parool 24/12/2010

dinsdag 21 december 2010

Kou voor gevorderden

In februari van dit jaar ben ik terug verhuisd, na een verblijf van vijf jaar in Rusland. En raar genoeg heb ik het meeste heimwee naar dat seizoen waar de meeste mensen bang voor zijn, en dat de ondergang vormde voor de legers van Napoleon en Hitler: de Russische winter. In de winter, die duurt van oktober tot april, is de vuiligheid van Moskou bedekt met een maagdelijke laken van sneeuw. De lucht is blauw, de smog is weg, de mensen zijn blij. Daarom ben ik zo opgetogen dat het nu ook in de Lage Landen een Russische winter belooft te worden. Denk er maar over na: de neerslag komt toch wel naar beneden, dus dan kan het toch veel beter sneeuw dan regen zijn?

Maar voor een Russische winter moet u wel beter zijn voorbereid. Als u mijn tips volgt zal u de Russische winter met glans overleven, en er misschien zelfs van genieten. Sommige maatregelen die de Russen treffen zal ik jullie besparen. Bij de eerste sneeuw worden alle ramen onmiddellijk dichtgestopt met watten en met tape vastgeplakt, zodat er geen enkele molecuul frisse lucht het huis binnen kan komen. Waardoor ik soms halverwege een interview een luchtje op het balkon moest scheppen, omdat er niet genoeg zuurstof voorhanden was. Ook de gewoonte van Russische vrouwen om niet op een koud bankje te gaan zitten omdat je daarna onmiddellijk onvruchtbaar bent, neem ik niet al te serieus.

Maar voor de rest zitten de Russen vol goede tips. Om te beginnen met warme kleding. Het klinkt zo logisch, en toch zie ik hier volksstammen zonder muts de straat op gaan. Ooit had ik het lef in Moskou zonder muts de straat op te gaan, en onmiddellijk sommeerde een omaatje mij huiswaarts te keren. De meeste warmte ontsnapt namelijk via het hoofd, een goede muts is onontbeerlijk. Het hoeft echt geen bont te zijn, schapenwol volstaat. Thermisch ondergoed kan ook geen kwaad. Goed ondergoed is gemaakt van merinowol, dat buiten warm houdt, maar eenmaal binnen niet gaat zweten.

Dan, misschien nog belangrijker: veel en vet eten. Zoals meer water drinken in de zomer voor de hand ligt, is dat voor Russen vet eten in de winter. U merkt het misschien niet, maar door de kou verbrandt u veel meer energie dan gewoonlijk. Mensen in West-Europa eten steeds gezonder, wat prima is bij een normale winter, maar niet bij een Russische. Klassiek vet eten is de salo, gezouten zwoerd, wat oorspronkelijk Oekraïens is, maar waar de Russen ook verzot op zijn. U kunt het kopen bij vrijwel elke Russische winkel. Snijd het in dunne plakjes en laat het op uw tong smelten, bij voorkeur bij een vette bietensoep, maar op brood mag ook. Voor vegetariërs: geen zorg, een beker slagroom volstaat. Voor de veganisten onder u: het is een wonder dat u nog leeft. Bij de salo worden vaak rauwe tenen knoflook geserveerd: goed voor de weerstand, en zolang iedereen het doet stoort de ademstank ook niet echt.

Dan de drank. Zoals uw auto antivries nodig heeft (nog een tip tussendoor: Russen nemen hun accu vaak mee naar binnen om bevriezing te voorkomen), heeft ook uw lichaam dat nodig. En wat is er betere antivries dan een lekker glaasje wodka? Als het meer dan twintig graden vriest krijgen zelfs de olifanten in de Russische dierentuinen elk twee liter wodka. Andere drank kan ook, zolang het alcoholpercentage maar boven de 30 procent is. Dus wen aan het volgende ochtendritueel: voor u naar het werk gaat drinkt u een wodkaatje met een dikke plak salo en een teentje knoflook. Wie met de auto naar het werk gaat kan de wodka ook later op kantoor nuttigen, geen enkel probleem.

Eenmaal in de week gaan Russen met bijna religieuze trouw naar hun lokale banja: een soort sauna, maar veel natter en heter. Elk dorp, hoe arm ook heeft wel een banja. In de banja wordt veel antivries genuttigd, en rost men elkaar af met berkentakken, die in water zijn gedrenkt. Officieel is het goed voor de bloedsomloop, maar het is vooral leuk. Na een sessie in de banja is het de bedoeling dat u spiernaakt in de sneeuw rolt, maar bij gebrek aan sneeuw kunt u ook in een wak in het ijs springen.

Tenslotte een ouderwets advies: loop nooit met uw handen in de zakken. U denkt: wat kan mij nou helemaal gebeuren? Dat dacht ik zelf ook een jaar geleden, toen ik uitgleed in de stad Moermansk. Doordat ik mijn handen in mijn zakken had kon ik mijn val niet breken en viel ik vol met mijn rug op een steen. Resultaat: een gebroken ruggenwervel. De echte voorzichtigen onder ons dragen ook nog speciale spikes die u onder uw schoenen kan binden. Te koop bij de betere bergsportwinkel. Blijf naar de stoep kijken voor gemene plakken ijs die onder de sneeuw verstopt te zitten. Maar vergeet ook niet af en toe omhoog te kijken: elk jaar sterven in Moskou alleen al een dozijn mensen door vallende ijspegels. Volg mijn adviezen, en u redt het wel tot de lente.

Jelle Brandt Corstius is journalist en oud-correspondent. Over zijn verblijf in Rusland schreef hij de boeken Rusland voor Gevorderden en Kleine Landjes. Meer info op www.jellebc.nl

Uit: De Morgen (14 december 2010)

maandag 20 december 2010

Salsa

Lange tijd heb ik voor mijn vader geschaamd. Het is een vrij excentriek figuur, op zijn zachtst gezegd. Vooral als je in de puberteit bent, en je hoofd zit onder de pukkels en je bent al onzeker, dan wil zo'n vader niet helpen. Zo waren wij op vakantie op Curaçao, ik was denk ik een jaar of twaalf. Twee momenten van diepe schaamte kan ik mij nog herinneren. Het eerste moment: wij moesten een bus halen (waarom is mij niet duidelijk, het was vakantie). Mijn vader rende voor ons uit en ging voor de bus staan zodat de chauffeur niet zonder ons weg kon rijden. Het duurde een paar minuten voordat wij kwamen aangehold. De dodelijke blikken van de passagiers in de bus zal ik nooit vergeten.

Dan een andere Curaçaose herinnering: we waren in Willemstad, waar wij om de een of andere reden elke avond bij een Italiaan aten in een achterbuurt (het terras stond naast een vuilcontainer). Verderop was een soort straatfeest aan de gang. Salsamuziek speelde, en iedereen stond te dansen. Zonder ook maar een moment na te denken stortte mijn vader zich in het feestgedruis en danste zijn eigen soort salsa. Dat de hele dansende menigte verbaasd stond te kijken naar die rare blanke kon hem niks schelen. Intussen stond ik, ontluikende puber, met een rood hoofd aan de kant, mijn tranen te verdringen.

Hoe ouder ik werd, hoe beter ik ermee om kon gaan. Toen ik zeventien was brachten wij oud en nieuw door in Miami. De ober bracht ons voortdurend het verkeerde eten, en dat was nog vies ook. Toen de rekening betaald moest worden, zei mijn vader: “Ik tel tot vijf en dan zetten we het op een lopen.” Lachend renden we weg met een boze ober achter ons aan.

En vorig jaar, op het Boekenbal, begreep ik dat mijn schaamte voorbij was. De opening in de zaal was net afgelopen, en een DJ startte de muziek, de dansvloer was nog helemaal leeg. Onmiddellijk begon mijn vader te dansen, ik herkende de Hugo-salsa uit Willemstad. Met open mond stonden schrijvers en uitgevers te kijken naar deze man die rondsprong in een ongestreken roze overhemd. Maar ik ging niet door de grond. Ik was trots op mijn originele vader die zich nooit iets aantrekt van wie of wat dan ook. Die magische ontdekkingen doet met woorden, ons in zijn eentje opvoedde, de eerste computer in Nederland in elkaar zette, en in een Amerikaanse cel belandde toen hij met Afro-Amerikanen voorin een bus ging zitten toen dat nog niet mocht (en als je het mag geloven ook het internet heeft uitgevonden en als enige blanke bij de Black Panthers heeft gezeten). Ik liep de dansvloer op, en samen dansten wij onze eigen salsa.

In: Parool 18/12/10

maandag 13 december 2010

Cellofaan

Toen ik gevraagd werd voor Het Parool columns te gaan schrijven, nam ik mij voor geen klaagcolumns te schrijven. Over toeristen die op het fietspad lopen, dat soort werk. Het was geen gemakkelijk voornemen. Mijn handen jeukten toen ik zes weken met de halve Bijlmer voor Jan Lul in een bus had gestaan. Die bussen waren ingezet omdat de metrolijn gerenoveerd zou worden, maar vanwege een ruzie van de gemeente met een aannemer was daar niets van terechtgekomen.
Nu is het jaar bijna voorbij en wil ik graag bij wijze van uitzondering een klaagcolumn schrijven. Het gaat over de nieuwe led-lampjes van de Magere Brug, ingeschroefd door de Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer (diezelfde instantie die ervoor had gezorgd dat ik weken voor niets in die hete bus stond en al zweetplekken had nog voordat we met de Zomergasten-uitzending moesten beginnen).
In een stuk over lichtvervuiling meldde deze krant dat alle 1800 gloeilampjes zouden worden vervangen door led-lampjes. DIVV meldde trots in een persbericht dat de Magere Brug een van de meest geliefde bruggen in Amsterdam is en tot over de landsgrenzen bekend: klopt helemaal . Ook stond in het bericht dat de brug volgens planning op 30 augustus is opengegaan. Lijkt mij ook zeker vermeldenswaardig, gezien de staat van dienst van de DIVV. Maar dan, over de led-lampjes: ‘Het lichteffect blijft hetzelfde.’
En dat was voor mij de druppel. Het is namelijk een flagrante leugen. Wie wil kijken of ik gelijk heb: ga ’s avonds op de Amstel ter hoogte van de Hermitage staan. Je hebt dan uitzicht op de brug richting de Stopera. Het is vrijwel een kopie van de Magere Brug, maar versierd met oude gloeilampjes: warm, geel, subtiel licht, dat op een Rembrandteske manier over de Amstel verstrooit. Kijk vervolgens naar de Magere Brug: lelijk wit licht. Een systeemplafond op een monument geplakt, met nauwelijks weerspiegeling in het water. Het is alsof de Amstel zegt: met jou wil ik mij niet associëren. En met de lichtsterkte van een kermisattractie (het idee was dus dat de lampjes minder lichtvervuiling gaven). En we hebben het niet over zomaar een brug, we hebben het over de bekendste en meest gefotografeerde brug van heel Nederland.
Het is nu natuurlijk veel te laat, de lampjes hangen er. Maar in het kader van de opbouwende kritiek, hier een gratis advies: beste gemeente, laten we redden wat er nog te redden valt. Koop een rol geelbruin cellofaanpapier, en plak het op alle lichtjes. Doe het. De mooiste brug van Nederland verdient beter. En dat alles voor de prijs van een halve millimeter metrotunnel.

In: Parool 11/12/10

Voor





Na

maandag 6 december 2010

Paddenstoelen

Eindelijk mijn DVD van de Gebroeders Leeuwenhart teruggebracht naar het Pintohuis. Nu weet ik ineens weer waarom ik geen lid was van een openbare bibliotheek: omdat ik altijd alles veel te laat terugbreng. De DVD huurde ik in april van dit jaar, ik gaf een housewarming en het thema was Zweden. Er waren IKEA gehaktballetjes met vieze saus, en er liepen Pippi's en Abba's, heel veel Billykasten en hier en daar een Dr. Alban rond. Zelf was ik verkleed als de gebroeders Leeuwenhart. In mijn slaapkamer had ik een bioscoopje gemaakt met Zweedse films, en de Gebroeders Leeuwenhart mocht natuurlijk niet ontbreken.

Met schaamte bracht ik deze week pas de DVD terug. Helemaal omdat ik een zwak heb voor het Pintohuis. In het voorjaar, toen ik net terugkwam uit Rusland, gaf ik in het hele land lezingen bij Openbare Bibliotheken. Op alle plekken waar ik kwam waren alle medewerkers ontzettend aardig, maar ging er altijd iets mis met het geluid, beeld, licht, of overig.

Bij het Pintohuis was het niet anders: bij binnenkomst zat een menigte mensen naar een scherm te kijken, maar de microfoon stond achter in de zaal waardoor iedereen voortdurend zijn nek 180 graden moest draaien (maar dat kunnen alleen uilen). En na afloop kreeg ik, ludiek genoeg, een fles wodka, net zoals bij alle andere bibliotheken, die het ook ontzettend ludiek vonden.

Maar vanaf dat moment liep het anders: het was de bedoeling dat de fles onmiddellijk opgedronken werd. De leeszaal ging open, een buurtbewoner zette heerlijke Russische hapjes op de leestafel. Tot in de nacht dronk en at ik met vrijwilligers, medewerkers, en buurtbewoners en voor het eerst sinds mijn terug verhuizen voelde ik mij weer thuis in Nederland. En voor het eerst zag ik de toegevoegde waarde van een bibliotheek: een plek waar schrijvers op een ongedwongen manier, onder het genot van een glaasje wodka en een ingemaakte paddenstoel met elkaar van gedachten kunnen wisselen.

Daarom moet het Pintohuis natuurlijk blijven. Het is een unieke bibliotheek, waar andere biebs een voorbeeld aan kunnen nemen. Of, om een actievoerder met de fantastische naam Mieke Lokkerbol te citeren: “Het is ons heel veel waard om een plek in de buurt te hebben waar je zonder drempel naar binnen kunt gaan, waar je in de leeszaal vrij je gang kunt gaan, een plek die fungeert als een openbare huiskamer. ”

Ten slotte: mocht iemand een half jaar met smart hebben zitten wachten op de Gebroeders Leeuwenhart, het spijt mij zeer. Om het goed te maken heb ik in mijn vriezer nog een kilo IKEA gehaktballetjes liggen.

In: Parool 04/12/10

vrijdag 3 december 2010

Tibidabo

De laatste keer dat ik in Barcelona was, was ik zeventien en vond ik het nog leuk om ansichtkaarten te sturen die pikzwart waren met daarop de tekst ‘Barcelona by night’. Echt veel herinneringen aan die Interrailreis heb ik niet meer. Ik weet nog dat ik wakker lag op een lawaaiige slaapzaal waar de hele nacht de tl-lampen brandden en dat ik tegen de stinksokken van een Amerikaan aankeek die andersom in bed was gaan liggen.
Ook weet ik nog dat ik hoog in de heuvels rond Barcelona een kleurig reuzenrad opmerkte. Na een lange tocht bereikten wij dat reuzenrad, dat deel uitmaakte van het pretpark Tibidabo. Het reuzenrad was gesloten voor reparatie. De zon ging onder, heel Barcelona lag aan onze voeten. Als ik later groot ben en ik wil eens weg voor een romantisch weekend, dan zal ik naar Tibidabo gaan en zullen wij samen in het reuzenrad stappen, nam ik mij toen voor.
Afgelopen weekend kwam het er eindelijk van. De kaarten van Barcelona by night staan nog steeds in de rekken en om drie uur’s nachts slijten nog steeds Peruanen blikjes lauwe San Miguel op de Rambla. Op een zonnige dag namen we de funiculaire naar Tibidabo. Het reuzenrad was natuurlijk uitgerekend nu opnieuw gesloten voor reparatie, maar de rest van het pretpark was nog even schattig als altijd. Er was een vliegtuig met een draaiende propeller, er waren lachspiegels en een treintje voor kinderen.
Beneden waren de attracties voor volwassenen: een achtbaan met een dodemanshelling waarmee je in Barcelona leek te verdwijnen en een kotsschip.
De langste rijen stonden voor een spookhuis getiteld Hotel Krueger. Het is officieel het engste en best gemaakte spookhuis van Europa. Freddy ­Krueger waart er rond en een spookachtige vrouw, die met een pollepel langs de tralies ratelt. Het hoogtepunt is een slaapkamer waar een dwerg verkleed als Chucky uit Child’s play zogenaamd vreedzaam ligt te slapen, ook achter tralies, totdat hij uit zijn bed stapt, op de een of andere manier door de tralies komt en je achtervolgt met een hakmes.
Ik rende in paniek verder, maar mijn vriendin bleef redelijk koeltjes. Ze bleef ook redelijk koel toen wij in de volgende zaal werden achtervolgd door de man uit de The Texas chain saw massacre, compleet met ratelende kettingzaag. Eenmaal buiten stapten wij in de lift naar de uitgang van het pretpark. Een aardige liftbediende, verkleed als clown, vermaakte ons in de rit naar boven met Catalaanse liedjes die wij moesten meezingen. Ik probeerde mee te zingen, maar mijn vriendin wendde zich af totdat de deuren opengingen. De liftbediende keek wat verward en liet ons zonder verdere clownerie beleefd uit. Lijkbleek, met een door angst dichtgeknepen keel, piepte mijn vriendin: “Ik ben bang voor clowns.”

woensdag 24 november 2010

Bommelding

Ik had met vrienden gegeten in Nam Tim, waar ik eigenlijk kwam voor de voortreffelijke dimsummetjes. Die worden om onduidelijke redenen alleen overdag geserveerd, dus bestelden wij veel te veel hoofdgerechten waar wij ons langzaam doorheen werkten. Om ons heen zaten, zoals altijd, vrijwel uitsluitend Chinese families aan ronde tafels, met een ronde schaal in het midden die je gezellig kunt ronddraaien zodat je bij alle hapjes kunt.
Als ik politici hoor hameren op het belang van integratie moet ik denken aan de Chinezen, zo’n beetje de minst geïntegreerde bevolkingsgroep in Amsterdam, maar tegelijkertijd de meest succesvolle. Ik bedoel, je hoort nooit iets over Chinese hangjongeren.
Met deze gedachten fietste ik richting het Amstelstation, door een verlaten fietstunnel. In de tunnel stond een grote rieten tas. Wat er inzat kon ik niet gelijk zien, maar het leek op een goor kussen. Ik fietste verder en begon ineens te twijfelen. Normaal zou ik er niet verder over nadenken, maar de tas was groot en lag precies onder een drukke spoorlijn. Ik heb mij altijd al afgevraagd waarom terroristen per se een vliegtuig of een metro willen opblazen. Het is toch veel gemakkelijker om een trein te laten ontsporen?
Die middag had ik een interview gelezen met de nieuwe burgemeester, die ontzettend daadkrachtig schijnt te zijn en de stad veiliger wil maken. Ik wilde niet achterblijven, dus belde voor het eerst in mijn leven de politie.
Ik gaf de verdachte tas door met de precieze locatie en werd daarna gebeld door een dame van de politie, die de precieze locatie van de tas wilde weten. Vervolgens werd ik een derde maal gebeld, dit keer door een echte politieagent: “Kunt u mij vertellen waar de verdachte persoon zich ophoudt?”
Wat later werd ik opnieuw gebeld door de politieagent. De tas was gevonden en meegenomen. In de tas zat alleen maar een slaapzak. Waarschijnlijk van een zwerver, voegde de agent eraan toe. Ik voelde mij nogal lullig dat ik om zoiets onbenulligs de politie had gebeld. “Het is altijd goed om bij twijfel te bellen,” drukte de agent mij op het hart.
Ik dacht aan de zwerver, die zou
’s avonds na een lange dag straatkranten verkopen aan haastige mensen voor een verregende Albert Heijn naar zijn warme fietstunneltje lopen, om daar te ontdekken dat iemand zijn mottige slaapzak had meegenomen. Hij zou er vast anders over denken.

In: Parool 20/11/10

maandag 15 november 2010

Kusje

Ik liep op de Weesperstraat, diep in gedachten verzonken. Ik had zojuist de hele Wibaut afgelopen, vanaf het Amstel. Bijna iedereen vindt de Wibautstraat de lelijkste straat van de stad. Ik vind het de mooiste straat. Het is namelijk de enige plek waar Amsterdam aanspraak kan maken op de titel 'grote stad'. Ik schrok toen de werkzaamheden begonnen en keek op de site van de gemeente Amsterdam, maar gelukkig blijft alles min of meer hetzelfde, wel krijgen alle trottoirs dezelfde tegels. (deze operatie neemt ongeveer twee jaar in beslag).

Ik loop graag over de Wibautstraat als ik heimwee heb naar het lawaai, het verkeer en de lelijke gebouwen van Moskou. De monotone geluiden en gebouwen zorgen bij mij voor een meditatieve toestand waarbij ik goed na kan denken. Precies op het moment dat de auto langs kwam suizen dacht ik aan mijn buikje, en of dat nou een vooruitgang of een achteruitgang in mijn leven was. Het was een oude Mercedes, die tussen de twee rijbanen slingerde. Voorin zat een man die meppen uitdeelde aan een jonge vrouw, die naast hem zat. Omdat hij ook nog enigszins op de weg moest letten maakte hij ongerichte maaiende bewegingen, zoals mijn vader vroeger ook altijd deed als hij het op de achterbank stil wilde hebben. Maar dat waren meer dreigende bewegingen, hij raakte ons nooit; de hand van de man landde vol in haar gezicht.

De auto sloeg rechtsaf, de gracht op, maar door al dat meppen had de chauffeur geen oog de passanten op de stoep. Op het laatste moment sprong ik opzij, de Mercedes schampte mij met zijn spiegel. In dit soort situaties kan je twee dingen doen: een scene trappen waarbij je een vechtpartij riskeert, of negeren en doorlopen en de hele dag gefrustreerd zijn. Ik koos voor de laffe tussenvariant: ik stak mijn middelvinger op en liep door.

De auto remde en de man sprong eruit. Hij noemde mij een gore tyfuslijer en vroeg ik 'wat' had (dat 'wat had je dan' heb ik nooit begrepen). Het meisje rende achter hem aan. Één oog was rood van het huilen, het andere oog was blauw. Ze had een verse schram op haar voorhoofd. Ik verdacht de ring van de man. Ze ging voor hem staan – ik ging ervan uit om de boel te sussen. In plaats daarvan kneep ze haar blauwe oog dicht terwijl ze schreeuwde: 'Vieze gore kankermongool, je ziet toch dat we ruzie hebben. Vieze vuile flikker.' Met deze wervende woorden stapte het duo weer in de Mercedes die wegstoof, de gracht op. Door het achterraam zag ik nog net dat het meisje een kusje gaf op de wang van haar vriend.

In: Parool 13/11/2010

maandag 8 november 2010

Isolatorweg

Je hebt van die plekken waar je heen wilt gaan omdat ze zo fascinerend klinken. Isolatorweg is zo’n plek. Lange tijd, als ik op het perron stond te wachten en een metro vertrok in de richting van Isolatorweg, heb ik mij afgevraagd waar toch die mysterieuze halte ligt. Ik hoefde er nooit te zijn; Westpoort is een buurt waar je normaal niet komt, tenzij je een kolenschip bent. Maar tot mijn plezier besloot de burgemeester van Amsterdam de demonstratie van de English Defence League naar de omgeving van de Isolatorweg te verplaatsen. Aanleiding genoeg om er eens een kijkje te nemen.

Het is een raadsel waarom juist hier een metrostation is aangelegd. Er staan wat non-descripte gebouwen. Op de achtergrond rookt de schoorsteen van de Hemwegcentrale. Voor het metro ligt een lullig grasveldje. Het was de ideale setting voor een nogal absurde demonstratie. Die is intussen een week geleden, in het internettijdperk een eeuwigheid. Maar het gaat mij niet om het nieuws van de demonstratie, maar om de aandacht voor de demonstratie. Op het lullige grasveldje waren ongeveer honderd journalisten en fotografen en ongeveer honderd man politie, die een kordon vormden. Buiten het kordon stond een groepje van ongeveer honderd tegendemonstranten. Honden blaften, boven het grasveldje cirkelde een helikopter. Om de hoek stond een straalwagen van de NOS, om het Nederlandse volk op de hoogte van te houden van het laatste nieuws uit deze brandhaard.

Die driehonderd mensen stonden in een cirkel om de demonstranten: vijf verwarde Britse mannen. Ik bedoel niet vijf man bij wijze van spreken, het waren er echt maar vijf. Ook was er nog een nette dame met een onberispelijk roze hoedje op. De vijf Britten en de nette dame luisterden naar een enge Duitser die alle oorlogen tussen moslims en christenen aan het opsommen was, maar niet op de naam kon komen van Istanboel in de Byzantijnse periode. Een tegendemonstrant die door de haag van politieagenten heen was gekomen, vroeg: ‘En de kruistochten dan?’ en werd gelijk afgevoerd. Een wolk van journalisten volgde hem.

Iedereen was zich bewust van het belachelijke van de situatie. De journalisten, die zich afvroegen waarom hun bazen hen naar een grasveldje hadden gestuurd op deze zonnige zaterdag. De politie, die het druk had op het metroperron met Ajaxsupporters. Zij hadden het lumineuze idee gehad met z’n allen de metro te nemen, en werden met z’n allen op de volgende metro richting Gein gezet. En de demonstranten, die geamuseerd de pers te woord stonden die geduldig op hun beurt wachtten.

Onderweg naar huis hoorde ik het Radio 1-nieuws openen met de vijf mannen op het grasveld. ’s Avonds waren de vijf op het acht uurjournaal te zien, plus de man van de kruistochten. Ik zette de tv uit en keek op internet de Rally to restore sanity van de Amerikaanse komediant Jon Stewart. In zijn speech merkte Stewart op: “The press is our immune system. If it overreacts to everything, we actually get sicker.

In: Parool 6/11/10

maandag 1 november 2010

Babytsunami

Beste Kasper,

Dit is je peter. Oftewel je peetvader, of nog beter: je godfather. Je hebt een Vlaamse vader, vandaar. Knoop in je oren dat je nooit je vader een Belg noemt, maar een Vlaming. Ach, tegen de tijd dat je deze brief kan lezen zal België niet meer bestaan.
Je moeder ken ik nog uit Groningen. Regelmatig gingen wij dingen doen waar je geld voor moest betalen, maar dat betaalden wij dan niet. Bijvoorbeeld: op zondag deden wij nette kleren aan en gingen ontbijten in een duur hotel, we vielen nooit op. Tot er op de dag een soort congres van Boeddhistische monniken was, en de ontbijtzaal vol zal met Tibetanen in gele gewaden.
Je ouders hebben mij gevraagd jouw peter te worden, en daar ben ik heel erg blij mee, al vraag ik mij af of ik de ideale peter ben. Het is de bedoeling dat ik jouw spirituele begeleider wordt, maar ik zit vaak in het buitenland, weet niks van het geloof en heb geen levensfilosofie in het algemeen. Dus heb ik in Boston (waar ik op baby-bezoek was) maar een berg babykleertjes voor je gekocht. Er zit een baby-berenpak bij, een Puma hiphop-outfit, en een hele kleine foute witte wollen spencer van Ralph Lauren. Wat je stijl ook wordt, er zit iets voor je tussen.
Je maakt deel uit van de zogenaamde baby-tsoenami van 2010. Er komt namelijk een moment, Kasper, dat je vrienden allemaal tegelijk kinderen krijgen. Dat zal voor jou rond 2042 zijn, het jaar waarin de Noord-Zuidlijn feestelijk wordt geopend. Ongeveer elke week valt er een geboortekaartje in mijn bus. Dus ga ik elke week wel op bezoek bij een van je collega’s, bewapend met een verantwoord speeltje of babykleertjes, luisterend naar details over de bevalling en de borstvoeding en de ontlasting.
De babytsoenami van 2010 valt te verdelen in twee groepen: Je hebt de groep ouders die hysterisch op hun baby letten, hooguit één persoon bezoek dulden, waar je drie uur lang moet fluisteren want ‘de baby slaapt/wil slapen/ houdt niet van vreemde geluiden’ en niet willen dat je hun kindje vasthoudt. En je hebt de ouders die bij binnenkomst de baby in je armen gooien, harde muziek opzetten, en bij het avondeten het kind op een schapenvel naast de eettafel leggen, waar hij/zij slaapt tijdens een luide dinerconversatie. Baby’s van de eerste groep huilen naar mijn mening de hele tijd. Baby’s van de tweede groep huilen alleen als ze honger hebben.
Jij behoort gelukkig tot de laatste groep, Kasper. Ik heb het vermoeden dat je in de toekomst mijn adviezen niet vaak nodig zal hebben, en ik je gewoon blij kan maken met cadeautjes. Nou goed, eentje dan: als je ergens gratis wilt ontbijten, scan eerst de ontbijtzaal op Tibetaanse monniken.

In: Parool 30/10/10

maandag 25 oktober 2010

Walvis

Vorige week schreef ik over de stugge Inupiat-eskimo's, hoog in het noorden van Alaska, en hoe ik een kadowinkel werd uitgegooid die La Bamba heette. We waren er aan het wachten op het begin van de walvisvangst, die door slecht weer maar niet van de grond kwam. Om een postzak met kwade brieven te voorkomen: Inupiat vangen al duizenden jaren walvissen, het hele dorp leeft ervan, en het aantal walvissen dat ze vangen is zo klein dat de walvispopulatie er niet door afneemt.

Zodra de storm over was kregen wij melding dat er een walvis was gevangen en reden naar het strand. In de verte zagen wij een armada van tien kleine vissersbootjes die samen een walvis achter zich aantrokken. Op het strand stond een bulldozer klaar (die gebruiken ze ook al duizenden jaren) en sleepte de walvis het strand op, de duinen over, naar de landingsbaan van het oude vliegveld van Barrow, de enige plek groot genoeg om de dieren te slachten. In de warmte van de cabine van mijn pickup-truck zag ik hoe volwassenen op de 13-meter lange walvis klommen om de dikke laag huid en vet eraf te snijden. De kinderen versleepten de enorme plakken met een vleeshaak.

Door het raam van de pickup leek het wel een soort schilderij van Hieronymus Bosch. Een zee van bloed op een sneeuwwitte landingsbaan, met in het midden een gebouw van vlees met juichende eskimo's erbovenop. Ik besloot toch maar wat dichterbij te gaan. Een groep was met touwen de walvis aan het omkeren. Een van hen merkte op dat mijn handschoenen nog wel heel erg wit waren. Ik pakte het touw en samen draaiden wij de walvis om. Het slachten duurde al een uur of vijf en we moesten opschieten, want als het donker werd zouden de ijsberen komen voor het enige stuk van de walvis dat niet wordt opgegeten: het bot waar de baleinen aan zitten. Ik kreeg een vleeshaak in mijn handen gedrukt en met de andere jongens laadden wij de blubber en het vlees op een truck, die wegreed naar het huis van de kapitein, waar zijn vrouw voor het hele dorp zou koken.

Rond middernacht werd op de radio bekend gemaakt dat het vlees klaar was. Het hele dorp stond in de rij voor het huis van de kapitein. Binnen stonden bakken met walvisvlees te borrelen, en hing er een walgelijke lucht van levertraan. Elke bewoner kreeg een zakje met een paar kilo vlees, tong, hart en muktuk: de huid met een stukje blubber, wat zij als een delicatesse beschouwen (ik vond het naar huid en blubber smaken). Ook wij kregen een tasje: "Jullie zijn toch die jongens die hielpen bij de walvis". Ik liep naar buiten met mijn tasje, op mijn jas en broek een dikke laag walvisblubber. Dus zo maak je vrienden bij de eskimo’s.

In: Parool 23/10/10

donderdag 21 oktober 2010

La Bamba

Voor het eilandgevoel hoef je niet op een eiland te zijn. Een eiland kan ook op het vasteland liggen. Een jaar geleden was ik in de stad Magadan, in het oosten van Rusland. De enige manier om naar deze stad te komen is met het vliegtuig. Magadanners refereren aan de rest van Rusland als 'het vasteland'. Datzelfde gevoel heb ik in Barrow, op het noordelijkste puntje van Alaska. Het is een desolate
plek: door de ligging staat er een gure wind, en is het meestal bewolkt. Barrow ligt boven de poolcirkel en dus komt de zon twee maanden per jaar niet op. Geen wonder dat er geen drank mag worden verkocht in dit dorp. We zijn hier voor een reportage over de traditionele walvisjacht door de plaatselijke Inupiat, maar door wind en sneeuwbuien is de jacht nog niet succesvol geweest. Zoals dat gaat met eilanders zijn de mensen hier vriendelijk, maar stug. We slijten de dagen met het verkennen van
de wegen rond Barrow, die allemaal na een paar kilometer stranden. Uit arren moede hebben wij gisteren aan het eind van een van de wegen een thermoskan met koffie leeggedronken,turend over de toendra, luisterend naar het enige radiostation. De presentator riep uit: 'Als je zit te luisteren, bel dan alsjeblieft. Dan weet ik dat ik dit niet voor niets doe'. Daarom was ik opgetogen toen ik een kadowinkel vond in de IJsbeerstraat, om de hoek van het hotel. De winkel heette La Bamba. Buiten in de sneeuw stond een plastic hertje, omringd met kerstverlichting (hier toepasselijk voor elk seizoen, en elk moment van de dag). Een oase van gezelligheid, La Bamba!
Bij binnenkomst kwam de warmte mij tegemoet. Er scharrelde een vrouwtje uit een soort
huiskamer ernaast. Ze zei geen ‘Hi, how are you’, zoals de rest van Amerika, maar dat vonnd ik wel verfrissend. Ze vertelde kortaf dat de winkel niet bedoeld was voor toeristen. Het plaatselijke museum, die had een kadogedeelte, daar moest ik maar naartoe. Ik zei dat ik zelf wel kon bepalen wat ik wel of niet wilde kopen en pakte zogenaamd geïnteresseerd een paar balletschoentjes met glitters, maat 36. De vrouw scharrelde weer weg, en ik probeerde te begrijpen waarom ze zo onvriendelijk was. Achter in de winkel was een kleine nis met nog meer spullen. Er lagen T-shirts, vlaggen en stickers met teksten als Eskimo power en Inupiat pride. Vervang Eskimo en Inupiat door white, en je was in Alabama. Uit het niets stond het vrouwtje
achter mij en fluisterde: 'Volgens mij moet je nu echt gaan'. Ik liep naar buiten, en keek naar het hertje met de kersverlichting. Een nieuwe sneeuwbui begon.

In: Het Parool 16/10/10

zondag 10 oktober 2010

Mohikaan

Bezoeken aan gesloten musea zijn vaak de leukste. Een Mexicaanse taxichauffeur had mij en fotograaf Jeroen Toirkens afgezet bij een museum in een bos bij Anchorage, de grootste stad van Alaska. Ik had een vierliterkarton met wijn in mijn hand. Na ons bezoek aan het museum zouden we doorvliegen naar Barrow in het hoge noorden waar we een paar weken doorbrengen met de Inupiat, waarover later meer. Barrow is een 'wet community', wat inhoudt dat er geen alcohol wordt verkocht, maar dat je het wel mag nuttigen.

Net toen de taxi weggereden was zagen wij het bordje met 'closed' op het museum hangen. We hingen wat rond en kwamen twee reusachtige elanden tegen die rustig stonden te grazen bij de gehandicapteningang. Eerder die dag vertelde een vrouw in Anchorage dat zij geen vogelvoer meer in haar tuin zette omdat er telkens beren op af kwamen. Ze woonde nota bene in het centrum van de stad. Mochten we een beer tegenkomen moesten wij volgens haar absoluut niet wegrennen, en zo luid mogelijk praten. Als de beer nog dichterbij kwam moest je in de foetushouding gaan liggen.

Kijkend naar de wildernis met de beer in het achterhoofd (misschien houden beren wel van goedkope wijn uit een doos) probeerden wij toch maar de deur van het museum. De deur ging open. Er zat een mooi meisje met een amulet bij de ingang. Ze vertelde dat ze uit een indianenreservaat in Nevada kwam en hier een congres organiseerde voor alle Amerikaanse Indianen en Inuit. Alsof ze ons had verwacht gebaarde ze ons naar de zaal, waar een soort van vredessessie aan de gang was. Duidelijker kan ik het niet maken, want het was niet duidelijk. Hier en daar zat een verwarde blanke met een mal hoedje op die dacht een Indiaan te zijn. Het had iets intens verdrietigs, dit samenraapsel van mensen, van de Inupiat tot aan de Hopi in het zuiden van Amerika, die de moordpartijen en ziektekiemen van de nieuwe bewoners hadden overleefd, en nu opgescheept zaten met wat verwarde blanken met rare hoedjes op.

Na de sessie deelden wij een taxi met een indiaan uit Wisconsin. Hij gaf ons zijn visitekaartje waarop stond: Mohikaan. 'En niet de laatste!,' zei hij erbij. Hij vertelde dat er wel degelijk nog Mohikanen bestonden. Ze zijn in de negentiende eeuw overgeplaatst naar een reservaat in Wisconsin. Bij het verlaten van de taxi zei hij: 'Vertel ze maar in Holland dat er nog vijftienhonderd Mohikanen zijn!'

In: Parool 09/10/2010

maandag 4 oktober 2010

Verzoek

Mensen veranderen niet. Kleine dingen kunnen veranderen, bijvoorbeeld dat je je sokken niet meer bij het bed laat slingeren of vis lekker gaat vinden. Maar vanaf je achttiende blijf je min of meer hetzelfde, volgens mij. Daarom schrok ik zo toen ik een Facebook-verzoek van schoolvriend David kreeg.

David is een Figuur, en dat bedoel ik op een positieve manier. Hij is geniaal en idioot tegelijk, een verstrooide professor. Voor zijn eindexamen wiskunde B haalde hij een onmogelijke 10,3. De opgaven waren te moeilijk, dus iedereen kreeg er drietiende punt bij (ik had een 2,3). In alle exacte vakken was hij ontzettend goed, en hij doet nu iets onnavolgbaars op de universiteit.

Om zijn emails te ontcijferen heb ik altijd meerdere woordenboeken en encyclopedieën nodig. De mails zelf zijn gelardeerd met Latijnse spreuken en citaten van Goethe en/of Nietzsche. In de aanhef staat altijd ‘Jelle esq.’ (voor de geïnteresseerde : het is een soort van eretitel afkomstig van esquire) Sinds een paar jaar heeft hij wel een mobiele telefoon maar die staat altijd uit, zoals bejaarden ook altijd doen.

En zoals dat gaat met genieën is hij ook verstrooid. David was niet op de hoogte van aardse zaken als koken; toen wij nog studeerden belde hij mij eens op met een probleem. Een meisje zou bij hem thuis komen eten, wat te doen? Ik adviseerde hem naar Renzo’s te fietsen, saus op te warmen, pasta in pan met water te doen en klaar. De volgende dag belde hij mij op. De date was niet helemaal vlekkeloos verlopen, de spaghetti smaakte wat raar. Wat bleek: hij had, zoals ik hem had opgedragen de verse spaghetti in een pan met water gedaan, maar de pan nooit op het vuur gezet.

Daarom was mijn schok groot toen ik zijn facebookverzoek kreeg. Zou David de stoffige academische wereld hebben verruild voor de aardse wereld van facebook en elke dag nutteloze updates neerzetten, en video’s van babys die dansen op dubstep? Angstig bekeek ik zijn pagina.

Als profielfoto had hij het verzameld werk van WF Hermans. Zijn fotoalbum bestond uit de grafsteen van Gerard Reve en een gedicht van Slauerhoff. Zomaar een statusupdate: ‘En als kool de geit niet waard is, komt het er maar op aan dat de openingszin de lezer als een pistoolschot in de oren klinkt, hetwelk niet in de laatste plaats in casu dezes opgeld doet’.

Het verstrooide is ook niet verdwenen. Vandaag meldt hij dat hij bij het pinnen 70 euro bij de pinautomaat heeft ‘laten liggen’. Quod erat demonstrandum.

In: Parool (2/10/2010)

maandag 27 september 2010

Jayus

Een vriend van mij verzamelt ongebruikelijke buitenlandse woorden. Daarmee bedoel ik begrippen waar je normaal niet één woord voor hebt. Zo heb je in het Vuurlands het woord mamihlapinatapai wat ongeveer betekent: de blik die wordt uitgewisseld door twee mensen die geen initiatief nemen om iets aan te bieden, maar wel hopen dat de ander dat doet.
Eskimo’s (of Inuit, afhankelijk van hoe politiek correct je bent) gebruiken het werkwoord iktsuarpok als zij even naar buiten gaan om te kijken of er iemand is. Over drie weken zit ik bij eskimo’s in het noorden van Alaska voor de walvisvangst en zal ik de materie verder onderzoeken, en zal ik vragen of zij inderdaad twintig verschillende woorden voor sneeuw hebben.
In het Nederlands heb je natuurlijk het werkwoord frenkdernederlanden, voor wie het nog niet weet, het betekent ongeveer: iets tegelijkertijd met ironie en compassie beschrijven. Mijn favoriet is het Indonesische woord jayus: een mop die zo slecht is dat je er toch om moet lachen.
Toen ik dit woord las, moest ik onmiddellijk denken aan de avondwinkel Holland-België in de Roetersstraat. Toen ik nog in de Roetersstraat woonde, ging ik er elke week wel een patatje halen. Bij Holland-België hadden ze de lekkerste frietjes van Amsterdam, met de lekkerste mayonaise.
Het probleem was dat je bij je patatje altijd een slechte grap cadeau kreeg van de uitbater Herman. Ik weet zeker dat Herman een heel repertoire had aan grappen, maar zoals dat gaat met slechte grappen vergeet je die onmiddellijk weer.
Zijn vader Monnie had de volgende mop: Wat is de oudste auto ter wereld? Een eendje, want Mozes ging in zijn een(t)(d)je de berg op. Eén grap kwam altijd terug. Als je had besteld, vroeg Herman onveranderlijk: “Wil je het meenemen of gelijk weggooien?” Om de een of andere reden kon ik er niet tegen, niet omdat de grap flauw was, maar altijd hetzelfde. Maar goed, de patatjes waren te lekker om ergens anders heen te gaan.
Deze zomer, vijf jaar nadat ik de Roetersstraat had verruild voor Rusland, was ik in de buurt en besloot een patatje te halen. Het was druk in de winkel, Herman stond bij de frituur en vader Monnie bij de kassa. “Wil je het meenemen of gelijk weggooien?” vroeg Herman. In een impuls antwoordde ik: “Maak je nou nog steeds diezelfde flauwe grap?” De klanten keken mij geschrokken aan. Niemand maakt grappen over de grappen van Herman, leek wel de ongeschreven regel.
De situatie werd nog erger doordat ik een grap maakte over een toerist die binnenliep en niet wist wat een frikadel was. Het was de laatste keer dat ik er een patatje at; Holland-België is na een overval en concurrentie met de Albert Heijn gesloten. Ik ga de patat missen. En de jayus stiekem ook.


In: Parool 27/09/10

maandag 20 september 2010

Kinderen

We hadden iets te vieren, dus gingen eten in een goed restaurant aan de Ligurische kust in Italië. Een restaurant waar je aan moet bellen. Daar schrik je volgens mij mensen mee af, maar dat misschien was dat juist wel de bedoeling. Een serveerster deed de deur open. Ze was jong maar had een oud gezicht en liep rond alsof ze allang dood was.

Verderop moesten we plaatsnemen in een ruimte naast de eetzaal. De chef kwam bij ons zitten en legde alle gerechten uit van de twee menu’s. Het voelde een beetje als een examen. Toen we een menu hadden gekozen werden we de eetzaal ingeleid. Het restaurant was duidelijk over haar hoogtepunt heen: chique en hip, maar meer het chique en hip van de jaren negentig.

Slechts twee tafeltjes waren bezet. Aan een van de tafeltjes zaten een jongen en meisje van onze leeftijd. De jongen droeg een buideltasje, maar zag er toch niet belachelijk uit. Alleen Italianen kunnen met een buideltasje naar een Michelinrestaurant: Het was mij al eerder opgevallen dat Italiaanse mannen altijd alles goed staat. Zo liep de stoere strandwacht van die middag in roze crocs die niets afdeden aan zijn autoriteit.

In de hoek van de eetzaal zat een man die sprekend leek op Cees Nooteboom.
Ik denk dat hij een beroemde Italiaanse schrijver of dichter was. De man was
voortdurend aan het oreren, ook als zijn mond vol was. De twee andere mensen
aan zijn tafeltje luisterden zwijgend en aandachtig. Het leek mij een vaste tafelgast.

De ongelukkige serveerster kwam elke paar minuten langs met een nieuw gerecht, de
een nog krankzinniger dan de andere: zure room met grenadinesiroop, kaviaar en rice
crispies, een percolatorpotje waar behalve koffie ook vis in zat, en plastic zakjes die in je mond explodeerden met tien smaken tegelijk. Bij een van de desserts (gevulde tomaat in een weckpot ‘want tomaat is eigenlijk een vrucht’) kwam de chef even bij ons buurten. Hij vertelde dat Michelin onlangs een ster van zijn restaurant af had gehaald. Dit vertelde hij zonder een spoor van emotie, wat ik bijzonder vond, andere chefs hangen zich op als ze een ster kwijt zijn.

Ik had gelezen dat zijn restaurant al sinds 1922 van vader op zoon ging, en ik vroeg
hem of zijn kinderen het restaurant over zouden nemen. Voor het eerst die avond stokte de woordenstroom van Cees Nooteboom, die nieuwsgierig ons gesprek volgde. De
serveerster verdween in de keuken. De chef antwoordde dat hij geen kinderen had.
Hij leek wat van zijn stuk gebracht door mijn vraag. Na een pauze voegde hij eraan
toe: ‘Dat is bewust hoor. Ik wil geen kinderen krijgen in een wereld vol met armoe en
geweld. Dat wil ik ze niet aandoen’.

Bij het afrekenen kreeg ik een boek cadeau over het restaurant. Toen ik de volgende
dag op het strand het boek doorbladerde zag ik een foto van de chef en zijn vrouw. Het was de serveerster.

In: Parool 18/09/10

woensdag 15 september 2010

Uniek

‘Wat maakt jou nou zo uniek?’, vraagt een man die naast mij is komen fietsen. Op dat moment zig-zag ik door de straatjes bij de Jacob Obrechtstraat, waar ik om de een of andere reden altijd verdwaal. Ik weet dat als ik eenmaal het pleintje met restaurant Quattro Stagioni heb gevonden, de weg naar het Vondelpark wel kan vinden. Dat ik bij elkaar al twintig jaar in Amsterdam woon, en ben opgegroeid in Zuid, helpt kennelijk niet.

Behalve aan het fietsen ben ik aan de telefoon met een uitzinnige vriend die zojuist een tweede kind heeft gekregen. Geen goed moment dus voor een gesprek met een passant. Ik vind het ook nogal lomp van de man om mij in mijn telefoongesprek te onderbreken. ‘Ik ben aan de telefoon,’ zeg ik vriendelijk tegen de man en fiets wat harder door, waarschijnlijk in de verkeerde richting. De man gaat fanatiek in de achtervolging.

Sinds ik de laatste tijd veel op de televisie ben geweest schieten mensen mij regelmatig aan. Meestal met een korte en krachtige mededeling. Zoals de politieagent die mij inhaalde, uit de auto sprong en achterna rende. Ik begreep in eerste instantie niet waarom; zoals elke Amsterdamse fietser had ik, met de politieauto in zicht, netjes gewacht op het groene licht. Maar de agent wilde alleen maar zijn enthousiasme voor Rusland met mij delen.

Maar er zijn ook mensen die verwachten dat je altijd en overal een lang gesprek met hen voert. Ik ben er inmiddels achter dat je goed op de eerste vraag moet letten. Bij een vraag als ‘Wat maakt jou zo uniek?’ gaan bij mij alle alarmbellen rinkelen.

Maar voor het Vondelpark, waar ik af moest stappen omdat de weg er verandert in een trap en ik mijn telefoongesprek had afgerond, zag de man zijn kans. Wat bleek: ‘Wat maakt jou zo uniek?’ sloeg niet op mijzelf, maar was sarcastisch bedoeld, als commentaar op het asociale geslinger op de fiets, veroorzaakt door mijn geanimeerde telefoongesprek, waarbij ik elk stoplicht negeerde (er was geen politie in de buurt).

Ik bood mijn excuses aan en vertelde dat ik die bellende, slingerende fietsers zelf ook irritant vind. De man vroeg waarom ik niet eerder was gestopt. ‘Ik dacht dat u dacht dat ik een bekende Nederlander ben,’ stamel ik, terwijl mijn hoofd rood wordt van stompzinnigheid. Terwijl de man mij verbaasd en minachtend aankijkt stapt hij op zijn fiets en rijdt kaarsrecht richting de Amstelveenseweg.

In: Parool 11/09/10

dinsdag 20 juli 2010

Jelle Brandt Corstius – breit er een eind aan

Ik weet niet mee precies wanneer het begon. Misschien toen ik de halve IKEA leegkocht nadat ik terugverhuisde naar Nederland. Misschien toen ik in mijn kantoortje trok en mijn eerste administratiemap aanmaakte. Misschien toen ik mij voor het eerst in vijf jaar weer begon te verdiepen in Nederlandse politiek. Misschien was het vorige week, toen ik de katten van mijn zus te logeren kreeg, die onmiddellijk bang onder mijn bank kropen en ik mij het hoofd brak over hoe ik in vredesnaam die katten op hun gemak kan stellen (ze zitten er nog steeds).

Ik kan dus niet precies zeggen wanneer, maar ik weet wel: mijn leven is op dit moment een stuk saaier dan in de afgelopen vijf jaar, toen ik in Moskou woonde. Grote problemen, zoals een brandende flat of oorlog, hebben plaats gemaakt voor kleinere problemen zoals parkeervergunningen en een uitgedraaid ventiel.

Maar nooit ben ik gelukkiger geweest. Want het mag dan wel spannend en interessant zijn, Rusland, echt rustig of aangenaam is het er nooit. Bovendien: voor het eerst in tijden ben ik meer dan een week op dezelfde plek, en dat bevalt mij wel.

Wat ik aan Rusland heb overgehouden is het waarderen van al het goede van Nederland. Dat je binnen een kwartier een bedrijf registreert bij de Kamer van Koophandel. Dat ik, terwijl ik dit stukje schrijf midden in Amsterdam, uitkijk over een grachtje waar twee kinderen zwemmen in schoon water. Dat je je gloednieuwe colbertje laat hangen in de trein, en dat dat na een telefoontje met de NS weer terecht is (nog even een gratis tip voor iedereen die reist met het openbaar vervoer: plan je reis niet, dan hoef je nooit te haasten).

Dat het leven in Nederland wat saaier is, betekent nog niet dat je je hier niet over dingen kan verwonderen. Zoals een asbak in het Van Der Valk hotel in Nuland, waar iemand een briefje op een asbak had gehangen met de tekst: 'Geen as in de asbak gooien, er zit een vogelnestje in'. Of fietsend op een zondagmorgen op de Veluwe bij Ermelo: een paar honderd mensen die allemaal hun eigen stoeltjes hebben meegenomen om buiten, naast de kerk, te luisteren naar een dominee, die zo inspirerend vertelt over apostel Paulus dat je er bijna van in God gaat geloven.

Maar mijn leven is echt niet meer interessant genoeg voor de buitenlandpagina's van Trouw, en daarom is dit mijn laatste column. Tijd voor andere correspondenten, van Nairobi tot Damascus, om het stokje over te nemen op deze plek. De wereld zit nog vol met wonderen.


Alle columns die eerder in Trouw verschenen liggen vanaf 10 augustus in de winkel in de verzamelbundel ‘Van Moskou tot Medan’ (Prometheus, 14,95)

Locatie picknick Oosterpark

Ok, ik heb even gekeken. Er is een groot veld direct voor het slavernij-monument. Daar zal ik zitten. Het monument ligt weer direct bij de ingang aan de kant van het OLVG. Daar stoppen trams 3 en 7, halte Beukenweg vlak voor het park.

Natuurlijk neem ik zelf ook wat mee, maar het is de bedoeling dat iedereen zijn eigen pick nick spullen meeneemt. Degene met het lekkerste eten krijgt de DVD van de nieuwe serie.

Tot vanavond,

Jelle

maandag 19 juli 2010

Zomergasten-picknick

De spanning stijgt, zondag eerste uitzending. Vanwege het lekkere weer is mijn top 43 er een beetje bij ingeschoten. Dus dacht ik net, ook met het oog op het lekkere weer: laten we gaan picknicken. Omdat Zomergasten nooit genoeg opgehypet kan worden. En omdat ik benieuwd ben naar jullie ideeën over het programma.

Dit is mijn idee: ik zit morgen, dus dinsdag 20 juli, vanaf 19:00 in het Oosterpark in Amsterdam. Ik neem HELEMAAL NIETS mee, en organiseer ook niks. Het is een picknick, dus neem zelf die oude plaid, gevulde olijven, ALDI-prosecco, je gitaar en/of mondharp mee. Als je wil kan ik ook boeken signeren, of de gloednieuwe DVD van de serie: http://www.vpro.nl/winkel/product?id=43569649. Ik verloot er ook nog eentje! We maken er een gezellige boel van.

Details over de precieze plek volgt morgen, moet even een goed plekje vinden. Tot morgen!

Jelle

donderdag 15 juli 2010

Zomergasten top 43. #32

Veel stand up comedians maken een interessante evolutie door. Ze zijn eerst grof en grappig, beginnen veel geld te verdienen, maken concessies voor nog meer geld tot ze zijn veranderd in humorloze zones. Klassiek voorbeeld is Eddie Murphy, die met zijn keiharde Raw-show de standaard zette in de stand up comedy (Murphy was op zijn beurt weer geinspireerd door Richard Pryor, maar dat is voor mijn tijd). Neem deze scene:



Daarna begon hij met films, die aanvankelijk nog grappig waren ook, waaronder mijn all time favorites Trading Places en Coming to America. Het zijn een van de weinige films die ik altijd weer afkijk als ze op tv langskomen. In Coming to America speelt Eddy Murphy vier verschillende rollen, waaronder de dominee Randy Watson (die ook haargel verkoopt onder de naam Soul Glo):



Daarna ging het algauw bergafwaarts in de filmcarrière van Eddie Murphy, met als absolute dieptepunt Beverly Hills Cop III.

Chris Rock, nog een van mijn favorieten, pakt het beter aan. Ook hij maakt matige films, maar combineert dat met vlijmscherpe stand up comedy, zoals deze klassieke scene uit zijn show Kill the Messenger (toch?)



Nooit gedacht dat Chris Rock zoveel afwist van Russische vrouwen.

Tenslotte is er nog Bob Saget, die de meesten van ons kennen als de brave vader in de sitcom Full House en flauwe presentator van America's funniest home video's, maar die een duister verleden heeft als keiharde stand up comedian, en daar sinds kort weer mee doorgaat:

woensdag 14 juli 2010

Jelle – is eigenlijk ook wel opgelucht

Ik had vroeger niks met voetbal. Ik kon het niet, dus interesseerde het mij niet. Tijdens de finale van het EK van ‘88 ging ik met mijn zusjes dwars op een straat liggen die normaal erg druk was, tijdens die finale reed er natuurlijk niemand over de weg.

Pas drie jaar later begon ik geïnteresseerd te raken. Op een dag nam mijn tante Liesje mij mee naar het Olympisch Stadion. Naar Ajax - PSV om precies te zijn. Ajax verloor met 0-1, maar dat maakte helemaal niets uit, ik was gegrepen door de magie van het voetbal. Ik begon de Voetbal International te lezen, en uiteindelijk te spellen, tot de reservebank van Heracles en de uitslagen van het Roemeense voetbal aan toe (wisten jullie overigens af van het bestaan van de Roemeense voetbalclub Petrolul?). Laat op de zondagavond zonderde ik mij af op mijn kamertje voor het Spaanse en Italiaanse voetbalcompetities, die ik nog machtiger vond dan de eredivisie. Ik had een klein zwart-wit televisietje, en mijn afstandsbediening bestond uit een lange stok. Maar dat mocht de pret niet drukken.

Na de successen van Ajax in de jaren negentig verdween mijn interesse voor voetbal een beetje, en kijk ik alleen nog maar de belangrijke interlands. Mijn vroegere voetbalmanie, zelfs op het hoogtepunt, is nog niets vergeleken met de voetbalmanie van mijn tante. Om bij haar aan te bellen op zondagavond was taboe, laat staan bij een interland. Niet dat het iets zou uithalen; ze haalde regelmatig de zekering van de deurbel eruit, net als de telefoonstekker.

Hoogtepunt was de finale van het WK in ‘98. Mijn vader had via zijn creditcard maatschappij kaartjes voor de finale gewonnen, merkte hij terloops op. Met mijn tante ging ik naar Parijs en waren bij de finale, en droomden over de dag dat Nederland het WK zou winnen.

Met dit WK heb ik regelmatig de drang gehad mijn tante te bellen of te mailen. Bijvoorbeeld, toen Frank Snoeks zei: ‘Deze jongen werd op jonge leeftijd geboren in een plaggenhut’. Maar mijn tante leeft niet meer. Dat Nederland voor de derde keer in de finale stond heeft zij nooit mee kunnen maken.
Natuurlijk was ik blij dat Nederland sinds het jaar dat ik werd geboren weer in de finale stond. Maar ik dacht ook: wat is het verschrikkelijk dat Liesje dit niet ziet. Iemand missen is erg, maar iets leuks meemaken en het niet met die persoon kunnen delen is misschien nog wel erger. Daarom ben ik ook wel opgelucht dat Nederland niet voor het eerst in de geschiedenis het WK won.

zondag 4 juli 2010

Zomergasten top 43. #33

Nog een Russisch fragment, dit keer muziek. Het nummer heet Tjomnaja Notsj, Donkere Nacht, en komt uit de oorlogsfilm Twee Soldaten (http://www.imdb.com/title/tt0036782/). Ik heb niet een fatsoenlijke vertaling in het Nederlands kunnen vinden, hier een matige Engelse vertaling:

http://www.pitt.edu/~slavic/sli/admin/dark.html

Maar misschien kan je beter de tekst niet lezen, het nummer is al triest genoeg zonder dat je weet waar het over gaat. Maar wel heel erg mooi:

Zomergasten top 43. #34

Dit zou mijn keuzefilm zijn geweest, als ik zelf bij Zomergasten had gezeten: Ironija sud'by, oftwel de ironie van het lot. Een Sovjet-film, die elke oudejaarsavond nog steeds wordt vertoond.

Man bedrinkt zich op oudejaarsavond in Moskou, stapt dronken op een vliegtuig naar Petersburg en, denkend dat hij nog steeds in Moskou is, stuurt taxi-chauffeur naar de 3e Arbeidersstraat. Die is natuurlijk exact hetzelfde in Petersburg, zoals alle gebouwen en wijken hetzelfde zijn in de sovjettijd. Man valt in slaap in exact hetzelfde appartement, alleen in Petersburg. In dit appartement woont een echtpaar. Voor de rest moet je het zelf maar zien.

Net als alle andere sovjetfilms met liefde gemaakt. Op Youtube is de hele film in blokjes met Engelse ondertiteling te zien, hier deel 1 (begint met een animatie, film zelf begint op 3:05):



Wie de film op betere kwaliteit wil zien, spoede zich naar Pegasus Amsterdam, waar de film op DVD te krijgen is (koop dan gelijk de andere klassieker: Moskva slezam ne verit, Moskou gelooft niet in tranen)

Een paar jaar geleden is er een schandalig slecht vervolg op gemaakt, voornamelijk schandalig slecht omdat de film werd gesponsord door de Russische telecomprovider beeline, en iedereen voortdurend rondloopt met de geel-zwarte kleuren van Beeline.

dinsdag 29 juni 2010

Jelle - krijgt een telefoontje van de marechaussee

Ik had een Russische vriendin op bezoek, en we waren beland in een visrestaurant in een pittoresk Noord-Hollands kustplaatsje waar ik vaak kom. Nouja, pittoresk, op het centrale plein van het kustplaatsje komen regelmatig hangjongeren samen die bier zuipen en heel hard Heil Hitler! roepen. Maar het zijn geen Marokkanen, dus ze kunnen kun gang gaan. Ik ben helemaal voor het harder aanpakken van hangjongeren, maar dan wel alle hangjongeren. Maar dat terzijde.

We keken naar een voetbalwedstrijd die op een groot scherm werd vertoond. Het was vier uur 's middags (het schijnt dat de wedstrijden zo vroeg worden uitgezonden vanwege de Chinese gokindustrie), en de zon scheen op het scherm, maar dat gaf niet want ik had mijn handen vol aan het uitleggen aan het Russische bezoek wat wij aan het eten waren: gebakken kibbeling met remouladesaus, en een bord met kipsaté. Probeer dat maar eens uit te leggen in het Russisch.

Achter ons zaten drie dorpsbewoners die ook het scherm niet konden zien, en luidkeels de verkiezingresultaten bespraken. Ik denk dat het de ouders waren van de hangjongeren die Heil Hitler riepen; het ging over hun held Wilders, die wel even de boel zou omschudden in Den Haag, en al die kutmarokkanen het land uit zou schoppen, etcetera. Ik raakte met een van hen in gesprek over Texels bier, en introduceerde de Russische vriendin, die Olesya heet. Zij waren benieuwd wat zij van Nederland vond, en zij antwoordde beleefd iets over Van Gogh, fietsen en molens. De man knikte goedkeurend.

Ik vertelde hoe ik Olesya eerder die week van Schiphol ophaalde. Toen ik haar opwachtte in de vertrekhal werd ik gebeld door de marechaussee. Zij wilden verifiëren of ik een Russische bezoeker verwachtte, hoe lang ze bleef, wat haar naam was, en wat ze hier kwam doen, en wie ik was. Daarna kon ik haar ophalen aan de andere kant van de douane, bij de vreemdelingenpolitie nadat ik mijn legitimatie had getoond. Daar zat ze beschaamd, en vroeg aan mij wat ze in vredesnaam verkeerd had gedaan. Haar visum was toch in orde? Kennelijk was het genoeg dat zij een jonge ongetrouwde vrouw uit Rusland was. De man in het visrestaurant luisterde verbaasd, en was zelfs even opgehouden met de kibbeling uit zijn bakje te vissen. In zijn beste Engels wendde hij zich tot Olesya en zei: 'Wat een schande. Bij deze bied ik mijn excuus aan namens het Nederlandse volk.'

woensdag 23 juni 2010

Zomergasten top 43. #35

Aah die goeie oude tijd. Loeki zat nog in de reclame, net als die rare kronkels waaraan ik moest denken toen ik een keer het Noorderlicht zag schijnen boven Moermansk. En de gezellige verkiezingsspotjes van Janmaat en zijn vrouw. Laat je even niet afleiden door het bloemetje en het pontificale telefoonnummer, en luister naar wat zij zeggen:



En kijk dan gelijk erna naar deze uitspraken Geert Wilders:

Jelle - kijkt rond in een plaggenhut

Ooit was ik in een vluchtelingenkamp in de buurt van Ramallah. Ik was er met een uitwisseling van journalistiek-studenten en we brachten een paar dagen door in Jeruzalem, waar wij praatten met Israëlische studenten, die de Palestijnen nazi's noemden en in Ramallah, waar wij praatten met Palestijnse studenten, die zeiden dat zij in concentratiekampen woonden. Voor zover de genuanceerde journalistiek.

De omstandigheden in het vluchtelingenkamp waren beroerd, wat ook niet zo gek is want het staat er al sinds 1948. Dat vond ik raar. Die Saudi's schonken miljoenen aan de Palestijnen voor moskeeën, dan konden ze toch zeker ook wat huizen neerzetten? 'Zodra wij hier een huis bouwen, laten we aan de Israëli’s zien dat wij niet meer van plan zijn terug te keren. Dat nooit,' was kort gezegd het antwoord. En wordt nu dus de derde generatie kinderen geboren die nooit hun thuisland hebben gezien.

Ik moest aan Ramallah denken in het dorp Sheklashifer, in het zuiden van Ethiopië. Iedereen in dit dorp werkt mee aan de productie van de borden waar de injera op wordt gebakken, de Ethiopische pannenkoek die bij elke maaltijd wordt geserveerd. Elke dag hakken zij klei uit de grond, verslepen het met twee gammele ezels naar hun dorp en boetseren er reusachtige borden van. Niet omdat iedereen het nou leuk vindt om te doen, maar omdat zij allemaal Waleyta zijn, een minderheid in het zuiden van Ethiopië, waar door andere volkeren op neer wordt gekeken. Niemand anders wil injeraborden bakken: het werk is zwaar en levert weinig op. De enige activiteit met een grote winstmarge, de verkoop van de injeraborden op de markt, is in handen van de dominante Sidama.

De meeste Waleyta leefden in simpele plaggenhutten, waar zij op de grond slapen, omringd door injeraborden die te drogen hangen. Op de veranda van het enige huis in het dorp zat een jongen van een jaar of tien een injerabord te boetseren. Trots kwam de vader naar buiten, die zich voorstelde als Zenebe Mendedu en vertelde dat zijn zoon al sinds zijn zesde borden maakt. Geld voor school is er niet; alle schamele opbrengst van de borden ging naar de bouw van het huis. Ik vroeg hem waarom hij als enige in het dorp een huis had. 'Iedereen denkt dat dit tijdelijk werk is, en dat ze vroeg of laat wel kunnen vertrekken uit dit dorp. Ik denk het niet. Daarom heb ik dit huis gebouwd. Voor mijzelf, en voor mijn kinderen. En hun toekomstige kinderen ook denk ik,' antwoordde Mendedu, wijzend naar zijn met klei besmeurde zoontje die met geroutineerde bewegingen begon aan een nieuw injerabord.

maandag 21 juni 2010

Zomergasten top 43. #36

Hugo Brandt Corstius in Zomergasten (1997)

Vandaag een fragment uit Zomergasten, een reeks interviews die de VPRO elke zomer uitzendt, waar gasten hun favoriete beeldfragmenten laten zien. Wim T. Schippers interviewt de columnist en wetenschapper Hugo Brandt Corstius. Lady D. is net verongelukt, en de uitzending wordt voortdurend onderbroken door de NOS. Brandt Corstius maakt een profetische opmerking...

zondag 20 juni 2010

Zomergasten top 43. #37

White Man's Burden (1995)

Een klassieke film over rassendiscriminatie en klassenverschillen. Een koerier in dienst van een rijke zakenman ziet per ongeluk de vrouw van de zakenman naakt uit de douche lopen, wordt ontslagen etcetera.

Bijzondere is dat alle rollen die normaal worden gespeeld door een blanke worden gespeeld door donkere acteurs en vice versa. Dus de koerier die ergens woont in een achterbuurt wordt gespeeld door John Travolta. Effectief middel, film is zeer aan te raden. Bij gebrek aan goede fragmenten, hier de trailer en een scene bij de rijke familie aan het diner.



zaterdag 19 juni 2010

Zomergasten top 43. #38

Het Rad van Fortuin is een formule, een format. Alle Raderen van Fortuin, alle formules, zouden op elkaar moeten lijken, maar dat is natuurlijk niet zo. En dat maakt het zo fascinerend. Formats in het buitenland combineren het vertrouwde met het vreemde. Polje Tsjoedes, het Russische Rad van Fortuin heeft ook een rad en een charmante assistente die de letters omdraait, net zoals in Nederland ooit het geval was. Maar daar houden de overeenkomsten op.

In 1990 ging Polje Tsjoedes in de lucht, als een van de eerste spelprogramma's. Net als bij zijn Nederlandse broertje ging het om het raden van woorden en het winnen van prijzen. Maar de afgelopen vijftien jaar is het programma geëvolueerd tot een uniek Russisch programma. De schaamteloze sluikreclame binnen het programma is een duidelijk verschil, maar in een land waar zelfs straatnaambordjes zijn gesponsord verbaast dit niet.

Het huidige Rad van Fortuin gaat niet meer om het raden van woorden, en nog minder om het winnen van prijzen. De woorden zijn simpele vijfletterwoorden, maar in een uitzending van een uur worden er met moeite vier geraden. De score wordt niet bijgehouden, en de prijzen worden weggemoffeld. Alles draait om de kandidaten en de presentator.

Presentator Leonid Jakoebovitsj, die het programma sinds 1991 presenteert, wordt aanbeden door de Russische televisiekijker. Zijn uiterlijk is een kruising tussen Hans Kazan en Ted de Braak. De kandidaten van de uitzending van afgelopen vrijdag kwamen onder meer uit Basjkortostan en Magadan in het Verre Oosten. Een kwam er zelfs uit de voormalige sovjetrepubliek Oekraïne. Voor de vorm werd er even aan het rad gedraaid, en toen kon het echte vermaak beginnen: het geven van cadeaus. Alle kandidaten nemen namelijk iets mee uit hun regio en zetten het op het rad. Daarbij worden alle cadeaus uittentreure toegelicht en besproken. Russen houden van ellenlange gesprekken, en dat is terug te zien in het programma.

Wat begon als een aardigheid is uitgegroeid tot het belangrijkste onderdeel van de show. De oogst van afgelopen vrijdag bevatte onder andere: een vaas, een zelfgebakken taart, een schilderij, skeelers, een Basjkirische hoed (op het hoofd van de presentator gezet), een mand met bier, een complete honingraat, hapjes gemaakt in de fabriek van een van de deelnemers (plus fles wijn 'van de directeur'), een keu ('We hebben gehoord dat u van biljarten houdt, meneer Jakoebovitsj'), een vossenbontje en vier enorme vijfliter-weckflessen met ingemaakte kersen.

De kandidaat uit Oekraïne maakte het helemaal bont: zij zette een mand met jonge eendjes, een dood speenvarken en een fles zelfgemaakte wodka op het rad.

Waar iedereen natuurlijk een slokje van nam. En passant kwamen twee kinderen van kandidaten opdraven om een liedje te zingen en een versje te zeggen, proberend het gekwaak uit de mand met eendjes te overstemmen. Toch een verschil met onze vroegere RTL-versie. Moeilijk voor te stellen: Hans van der Togt die een glas zelfgebrouwen wodka achterover slaat terwijl op het rad een dood varken rondjes draait.

(deze tekst stond eerder in Trouw)

donderdag 17 juni 2010

Zomergasten top 43. #40 & #39

Michel Gondry is een van de grootste creatieve genieën van deze tijd. De stijl van Gondry is op het eerste gezicht kinderlijk, maar niets wat hij maakt is eenvoudig. Bijna al zijn films zijn favorieten van mij: Eternal Sunshine of the spotless mind, Be kind rewind en Human Nature, met script van Charlie Kaufman. In Human Nature wordt een soort Tarzan-wilde 'Puff' opgevoed door een gestoorde professor (Tim Robbins). Om te beginnen met tafelmanieren (de professor probeert al langere tijd muizen tafelmanieren bij te brengen, dat fragment kon ik niet vonden op youtube). Hier komt Puff voor het eerst uit zijn kooi:



Het ziet er allemaal kinderlijk uit, maar de film zet je aan het denken, zonder je te dwingen waar je aan moet denken. Gondry heeft ook een hoop mooie videoclips gemaakt. Voor een overzicht kan ik deze DVD aanraden: http://www.michelgondry.com/ProductDetails.asp?ProductCode=DVD1-660200307028

Zijn carriere heeft hij gedeeltelijk te danken aan de samenwerking met Björk, om te beginnen met Human Behaviour. Dit is Army of me:



De mooiste videoclip vind ik Around the World van Daft Punk, waar elke danser een ander muziekinstrument voorstelt:



Dit is misschien nog wel leuker, hier vertelt Gondry hoe de video tot stand is gekomen:



De wereld kan meer Gondrys gebruiken!

dinsdag 15 juni 2010

Zomergasten top 43. #41

Simpel en mooi filmpje met onverwacht eind. Ik zag het niet aankomen in ieder geval. Let niet op de zwijmelmuziek.



Hier de losse link: http://www.youtube.com/watch?v=zVNTdWbVBgc

Jelle - praat met een vrouwenbesnijder

'Ergens in het dorp schijnt een onbesneden vrouw rond te lopen,' vertelt de 60-jarige Dashuri Naro. Alle omstaanders die tijdens het gehele gesprek zich om ons heen dringen, privacy bestaat niet in Afrika, lachen. Een vrouw die zich vrijwillig onbesneden laat, moet je je voorstellen!

Ik ben in het dorp Remeda in het zuiden van Ethiopie. In de hut van Naro om precies te zijn. Bij de hut is een veldje met valse bananenboom, waar een soort brood van wordt gemaakt. In de laatste veertig jaar besneed zij meer dan achtduizend meisjes. 'Hier in het zuiden valt het nog mee hoor, wij snijden de clitoris eraf. In het noorden, in de buurt van Somalie, naaien ze ook nog eens een gedeelte van de vagina dicht .'

Dashuri vertelt op licht beschaamde toon over haar praktijk, maar niet omdat ze dat voelt, maar omdat ze afleest aan mijn gezicht wat ik ervan vind: een goede journalist oordeelt niet en relativeert alles, maar iedereen heeft zijn grenzen. Met tegenzin vertelt ze over haar praktijk. Dat het sinds een paar jaar verboden is en streng wordt bestraft. Hoe zij binnen een paar seconden, met een scheermesje en zonder verdoving een meisje, vaak van rond jaar of zes, beroofde van seksueel genot voor de rest van haar leven. Dat dit al sinds mensenheugenis gebeurt. En dat het, in tegenstelling tot wat wij in het Westen denken, niets te maken heeft met geloof. De meerderheid van de Ethiopiërs in het dorp is protestant, een paar zijn Ethiopisch orthodox. Niemand is moslim. Maar goed, het is tegenwoordig nu eenmaal goed gebruik om de Islam overal de schuld van te geven, dus ook vrouwenbesnijdenis.

Waarom werden vrouwen eigenlijk besneden? Iemand uit de luisterende menigte mengt zich in de discussie: 'Omdat onbesneden vrouwen snel geëmotioneerd raken en met keukengerei gaan gooien!' De rest van de groep knikt instemmend. En hoe staat het dorp er nu dan voor, sinds er al een paar jaar geen meisjes meer besneden worden? Nou ja, officieel dan, want nog steeds melden meisjes zich vrijwillig bij de hut van Naro. De oude vrouw moet even nadenken: 'Dat valt eigenlijk wel mee. Ik denk dat onze tradities niet juist waren.' Ik kan moeilijk aan haar gezicht aflezen of ze het meent. Zij doet haar verhaal in het Sidama, dat naar Amhaars en dan naar Engels wordt vertaald, dus dat is ook niet al te betrouwbaar.

Bij het wegrijden uit het dorp wijst iemand ons op de vrouw die zich vrijwillig onbesneden liet. Ze loopt hand in hand met haar man langs de weg met een bundel valse bananenbladeren op haar hoofd. Terwijl het hele dorp zwaait naar de auto met die rare lange blanke en een roedel kinderen achter ons aan rijdt heeft de man alleen maar oog voor zijn vrouw.

maandag 14 juni 2010

Zomergasten top 43. #42

Beyoncé - Single Ladies (Sony 2008)

Superieure videoclip. Sexier dan alle bitches en ho's van alle cliché hiphop-videos bij elkaar. Simpel en elegant gemaakt. En gewoon een goed nummer (ik luister nooit naar teksten overigens).




Voor I-phones: http://www.youtube.com/watch?v=FyHVQT8aIBM

zondag 13 juni 2010

Zomergasten top 43. #43

'Crumb' (1994) van Terry Zwigoff over de geniale en gestoorde (gaat bijna altijd samen) striptekenaar Robert Crumb. Had het liefst de scene willen laten zien waar zijn broer vertelt over het lint dat hij elke dag doorslikt - en weer uitpoept, maar die kon ik niet op youtube vinden. Dit wel:



Als je tijd hebt, kijk nog eens naar de hele documentaire http://www.imdb.com/title/tt0109508/. Over de geneugten van een dysfunctionele familie. In dit genre kan ik ook aanbevelen: Sunshine Cleaning http://www.imdb.com/title/tt0862846/

dinsdag 8 juni 2010

Jelle – verzint een dieet

Voor het eerst in mijn leven heb ik een buikje. Ik heb hem gekweekt in de maanden nadat ik mijn rug brak en weinig bewoog. Daar was ik in eerste instantie erg blij mee, want de eerste 31 jaar van mijn leven was ik een mager skelet. Vroeger at ik voortdurend alles en in onbeperkte hoeveelheid, het maakte toch niet veel uit, dikker werd ik er niet van. Maar ik merk dat ik tegenwoordig oplet hoeveel ik eet, en wat.

De sleutel voor het afvallen heb ik ontdekt in Ethiopië. Dat klinkt heel cynisch, want iedereen heeft bij Ethiopië associaties met kinderen met opbollende buikjes door hongeroedeem, met grote bruine oogjes waar vliegen omheen zwermen, liggend op een kale stoffige vlakte. Het geeft niet dat u die associaties hebt, ik had ze zelf ook. Het beeld van Ethiopië is nou eenmaal dat van de Live Aid inzamelingsactie in de jaren ‘80 (onlangs kwam de BBC met het nieuws dat door de opbrengst van de actie de oorlog alleen maar langer heeft geduurd). Veel landen hebben last van een onterecht slechte reputatie, maar Ethiopië spant de kroon. Het mag dan nog wel een arm land zijn, maar er is echt geen hongersnood. En er mogen dan wel stoffige vlaktes zijn, een groot deel van het land is schitterend groen en vruchtbaar.

En het eten is er geweldig. Al het eten wordt geserveerd bovenop injera, een soort pannenkoek. Het is de bedoeling dat je met je rechterhand (je linkerhand is ergens anders voor) een stukje van de pannenkoek afscheurt, en samen met wat vlees of groente in je mond stopt. De pannenkoek is tegelijkertijd je bord en je bestek.
Het viel mij op dat ik na een lunch met de injera totaal geen honger meer had.

De hele week lunchte ik, en at ik ’s avonds niks. Terug in Nederland heb ik diepgravend onderzoek gedaan naar dit fenomeen (lees: ik heb Wikipedia geraadpleegd). Wat bleek: de injera is gemaakt van teff, een soort gewas. Teff is rijk aan langzaam verteerbare complexe koolhydraten die heel erg langzaam door je lichaam worden afgebroken. Dat verklaart het volle gevoel. En het verklaart ook het succes van de Ethiopische marathonkampioen Haile Gebrselassie (dat en het feit dat hij altijd te laat was voor school en het hele end moest rennen).

Dus iedereen die van zijn of haar buikje af wil, hier mijn advies: ga overdag naar een Ethiopisch restaurant en bestel een injera (mijn favoriet: met kitfo, een soort rauw vlees), en u hoeft de rest van de dag niet meer te eten. Die tijd kunt u nu besteden aan andere dingen, bijvoorbeeld een trendy boekje schrijven genaamd ‘het teff dieet’. Dan bent u niet alleen kilo’s armer, maar ook euro’s rijker.

vrijdag 28 mei 2010

Jelle Brandt Corstius – grijpt naast het pluchen zeepaardje

Lang heb ik geklaagd tegen vrienden over Nederland. Wat mij het meest beklemt, en waarom ik om de zoveel tijd wegvlieg en nu bijvoorbeeld in Ethiopië zit, is dat Nederland af is. Elke vierkante kilometer heeft een bestemmingsplan. En als er al een bos staat, dan is het de bedoeling dat daar een bos staat. Ik mis de loze ruimte, waar zoveel van is in Rusland. Niet lang geleden las ik het berichtje van een jogger die net buiten Moskou in een bos was gaan hardlopen. Een Russisch bos, dus onmetelijk groot, en zonder bordjes. Hij raakte de weg kwijt en ging uiteindelijk dood van de honger.

Dat is wat ik mis in Nederland, wilde plekken en gebouwen zonder duidelijke bestemming. Daarom ben ik zo opgetogen dat ik de pier van Scheveningen heb ontdekt. Op Tweede Pinksterdag was ik met een vriendin op bezoek was bij een vriend in Den Haag, en we doken in de koude Noordzee en aten slibtongetjes (we hadden zoveel lol dat ik mijn Trouw-column vergat te schrijven, waarvoor nog mijn welgemeende excuses). Enfin, we besloten een stukje de pier op te wandelen. En het was alsof ik terug was in Rusland. Het schijnt dat Van der Valk twintig jaar geleden de pier voor een gulden op de kop heeft getikt. En sindsdien heeft van der Valk ongeveer een gulden, maximaal een euro gestoken in de renovatie. De pier is namelijk een majestueuze ode aan het verval.

De pier is bedekt met krakende houten latten, waar af en toe een gapend gat in zit. Halverwege heb je het – gesloten – Schateiland waar een piraat voor staat met een hoed die tot de rand is gevuld met meeuwenkak. Aan het eind van de pier kan je omhoog klimmen in een bungeejump-toren (‘vanwege technische redenen gesloten’). Bovenop de toren staan hangjongeren te tongen tussen lege blikjes Fernandes en verkeerd gespelde graffiti.

Climax van de pier is een – werkend – casino met fruitautomaten en een enkele bejaarde. In het midden van de zaal staat een glazen hok. Het is de rookruimte. Een ongelukkig ogende man stond er moederziel alleen aan een sigaret te lurken, in zijn zak voelend naar nog wat munten voor de fruitautomaat.
Teruglopend op de pier, bij een grijpautomaat – waar wij natuurlijk naast het pluchen zeepaardje grepen – hing een billboard met grootse plannen voor de pier. Er zou onder meer een 4-sterrenhotel moeten verrijzen. Bij deze doe ik een oproep aan de familie van der Valk: doe het niet! Laat de pier zoals ie is! Nederland heeft veel te weinig plekken zonder duidelijke bestemming, dat maakt de pier van Scheveningen zo uniek.

dinsdag 18 mei 2010

Jelle Brandt Corstius – luistert naar zijn timmerman

Samen hadden wij alle boekenplanken zes trappen naar mijn nieuwe appartement omhoog gezeuld. En de zaagmachine, en de werkbank, en de industriële stofzuiger. Uitgeput stonden we bovenaan de trap. Ineens sloeg Ivan zich hard voor het hoofd en schreeuwde iets in het Bulgaars wat ik niet verstond, en dat was waarschijnlijk maar goed ook. ‘Ik ben mijn belangrijkste instrument vergeten,’ zei Ivan en liep met plezier nogmaals de zes trappen om zijn pakje sigaretten te halen.

Ivan komt uit Bulgarije en vertimmert al enige weken mijn huis. Vroeger deed ik het klussen zelf met een vriend, maar wij hebben allebei de slechte eigenschap om genoegen te nemen met een werkblad dat gammel is, of een keuken met een deurtje te weinig. Nu wilde ik voor de verandering alles goed aanpakken, en was ik getipt over een timmerman met gouden handjes. Pièce de résistance zijn veertien enorme zwevende boekenplanken, die wonderwel tussen mijn scheve Amsterdamse muren hangen. Ivan is het bewijs van een goed werkende EU.

Voor het werk moesten er een paar sigaretten worden gerookt, dus stonden we samen op mijn minuscule balkonnetje. Ik vertelde over mijn mislukte reis naar Bulgarije, die ik een paar jaar geleden met een vriend ondernam. Hoe wij op de grens met Servië en Bulgarije tussen een horde Turken terechtkwamen die uit heel Europa onderweg waren naar hun moederland. En hoe wij, na drie uur dringen tussen de andere auto’s door de Bulgaarse grenswacht werden teruggestuurd omdat wij de verkeerde papieren hadden. Omkopen ging niet, dat is dan weer slecht van de EU. Uiteindelijk hadden wij een leuke vakantie in Servië en Montenegro. Per slot van rekening maakt het niet zo veel uit waar je naartoe gaat, zolang je maar gaat.

Ivan vertelde dat hij deze zomer hoopte zijn familie in Bulgarije te bezoeken. De afgelopen vier jaar had hij zijn zomervakantie opgeofferd aan een bouwproject in de buurt van Veliko Turnovo, de oude hoofdstad van Bulgarije. Elke zomer timmerde hij verder aan een huis, een soort showmodel, dat mensen op andere plekken konden laten bouwen. Het huis werd precies opgeleverd in de week dat de Lehman Brothers failliet gingen en de crisis begon. Sindsdien staat het huis te koop. De kans is klein dat er nog meer huizen worden gebouwd. De kans is sowieso klein dat dit huis nog wordt verkocht. ‘Misschien moet ik gewoon het huis slopen en de grond verkopen,’ zei Ivan sip, terwijl hij zijn derde sigaret aanstak. Crisis of niet, ik vind het niet terecht dat een timmerman met gouden handjes zijn meesterwerk niet kan verkopen. Iemand interesse?

woensdag 12 mei 2010

Jelle Brandt Corstius – ontsnapt uit de VIP-ruimte

Het afgelopen weekend bracht ik in Warschau door, waar ik op bezoek was bij een vriend die daar werkt op een advocatenkantoor. Ik zou willen zeggen dat ik veel van Warschau heb gezien, maar dat is niet zo. Mijn kennis rond Warschau beperkt zich voornamelijk tot de verschillende VIP-ruimtes die de stad rijk is.
Het begin was nog veelbelovend. Met de vriend belandde ik in een restaurant, een voormalige slagerij. De voormalige slager had er ook een baantje gekregen: wie er steak tartare bestelt krijgt bezoek van de slager met een trolley. Voor je neus hakt hij het vlees eigenhandig tot moes. Een aardige mevrouw, misschien de vrouw van de slager, heeft ook een trolley met zelfgestookte drank in alle soorten en maten.
Maar toen was het gedaan met de eenvoudige gezelligheid. Na ons bezoek aan het restaurant zouden wij afspreken met een collega van mijn vriend, een Pool genaamd Tadeusz. Alles wat de jongen aanhad was van Gucci of Hugo Boss, en hij vertelde graag waar hij alles gekocht had. En hoeveel het gekost had. Hij had een harde en volstrekt ongeloofwaardige lach, die hij op de raarste momenten ten gehore bracht. Tadeusz nam ons mee naar een club, waar wij achterin de zaal langs een boomlange uitsmijter werden geloodst. Dit was de VIP ruimte, waar de jonge elite van Warschau rondhing. Zij keken uit over de rest van de Warschause menigte die aan de andere kant van het koord dansten.
De volgende ochtend lunchten wij in het Mariott hotel, dat Tadeusz voor een gedeelte had afgehuurd. ‘Dit is de VIP afdeling,’ was zijn toelichting. Ik deelde de tafel met twee geblondeerde en verveelde fotomodellen. Die avond sleepte hij ons mee naar twee clubs. In de laatste club was het net zo saai en nep als de andere VIP ruimtes waar ik het weekend doorbracht. Toen deed ik iets wat nooit eerder in de geschiedenis van rijk Warschau is gebeurd: ik stapte over het koord en mengde mij tussen de dansende Polen, die het aanzienlijk meer naar hun zin leek te hebben. Tadeusz, bezorgd over mijn gevaarlijke verblijf in de wildernis liep met mij mee. Hij deed alsof hij danste en liet zijn harde neplach horen, maar keek intussen schichtig om zich heen. Na ongeveer twintig seconden liep hij terug naar de VIP-ruimte, veilig aan de andere kant van het koord.
Over twee weken zal hij de bruiloft van mijn vriend bezoeken in Nederland. Hier zal hij het nog moeilijk krijgen. Ik stel voor dat Tadeusz een Japans kamerscherm meeneemt zodat hij, waar hij ook is, zijn eigen VIP-ruimte heeft.

woensdag 5 mei 2010

Jelle Brandt Corstius - trekt te vroeg conclusies

Karel van het Reve schreef ooit dat vakantiegangers vaak denken dat wat zij daar als toerist meemaken representatief is voor het land dat zij bezoeken. Zo maakte ik ooit een reis naar Zweden. Het was een kanotocht vanuit het Zweedse Arvika naar het Noorse Lillehammer. Als je dorst kreeg van het kanoën pakte je een lege mok die in de kano lag en haalde hem door het water en dronk je het op. Soms kan het leven heel erg eenvoudig zijn.

Op een ochtend hadden we ergens aangelegd en ik ging wat door het bos wandelen. Ik verdwaalde en kwam na een uurtje lopen bij een klein huisje terecht. Achter het huisje zwom een vrouw van een jaar of zeventig in een meertje. Ze zwaaide vriendelijk, en ik riep dat ik verdwaald was. Ze zwom naar de kant en klom spiernaakt de oever op. Ze wees mij de weg naar de rivier waar mijn kanovrienden op mij zaten te wachten.

Dat zij spiernaakt voor mij stond, was voor haar geen reden om het gesprek te stoppen. Ze vertelde dat zij sinds haar 20e in dit huisje in het bos woonde, en al veertig jaar, elke dag in de ochtend een duik maakte. 'En als ik binnenkort dood ben wil ik graag onder die spar daar begraven worden,' voegde ze er aan toe. Lang heb ik door dit voorval gedacht dat Zweden bevolkt wordt door bejaarden die 's ochtends naakt in een meertje duiken en onder een spar begraven willen worden.

Dit weekend had ik Zweeds bezoek, en zij moest hard lachen om mijn conclusie. Later op de dag zochten we een plekje op een grasveldje in een park in Amsterdam. We zaten midden in een verhitte discussie over de oorsprong van de kaasschaaf (die komt uit Nederland natuurlijk) toen een man met een morsige en volle Dirk-tas naar ons toe kwam lopen. Hij bleef staan voor het Zweedse bezoek, riep heel erg hard 'Vuile hoer!' en liep weer rustig door, alsof er niets was gebeurd. Toen ik haar vertelde wat de man naar haar had geroepen keek ze geschokt voor zich uit. Nu is zij weer in Zweden, en ik ben benieuwd of zij denkt dat Nederland is bezaaid met mannen met morsige Dirk-tassen die 'Vuile hoer' roepen tegen nietsvermoedende meisjes in parken.

In: Trouw 04/04/10

maandag 12 april 2010

Jelle Brandt Corstius – fietst nooit door de Velsertunnel

Om mijn vader ongeduldig te noemen is zacht uitgedrukt. Ongeduldig ben je als je er niet tegen kan als dingen wat langzamer dan normaal gaan. Mijn vader is altijd ongeduldig, zelfs al gaan dingen sneller dan normaal. Een keer in het jaar maken wij samen een fietstocht. We hebben dan eerst de meest wilde plannen: Frankrijk, Denemarken en Groenland komen langs. Uiteindelijk wordt het altijd toch maar weer de Achterhoek.
Eenmaal in de Achterhoek is het het principe van mijn vader om door alle rode stoplichten heen te fietsen die wij op onze tocht tegenkomen. Hij is zichtbaar teleurgesteld als het licht op groen is. En hij is zichtbaar blij als het licht op rood staat en hij een drukke provinciale weg mag oversteken, vol met auto’s die toeteren en op het laatste moment remmen.
Het levert hem uiteindelijk helemaal niets op, want aan de overkant moet hij toch wachten tot het licht op groen springt en ik naar de overkant fiets. En toch blijft hij het doen, bij elk stoplicht. Misschien dat wij daarom elk jaar naar de relatief stoplichtarme Achterhoek gaan, bedenk ik mij nu.
Het is een vervelende situatie, maar ik weet dat hij zich nog inhoudt. Ooit toen hij in zijn eentje een tochtje maakte fietste hij over de vluchtstrook van de snelweg. Door de Velsertunnel. Toen ik hem vroeg waarom antwoordde hij: ‘Het was de kortste route’.
Zaterdag vlieg ik met mijn vader naar Amerika, waar mijn zus woont. Een week in Amerika is natuurlijk andere koek dan twee dagen fietsen in de Achterhoek. De laatste keer dat ik met mijn vader in een vliegtuig zat was ik nog jong. Toen was reizen altijd een zenuwslopend drama. Het begon altijd al bij het afgeven van de bagage. Dat deden wij niet want ‘het scheelde tijd bij de bagageband’. Dus zaten wij altijd met onze koffer voor ons geklemd en de benen omhoog.
Ik vreesde dus voor het ergste. Maar sinds wij onze plannen hebben gemaakt is mijn vader een oase van rust. Ja, op die bagage kunnen we toch wel even wachten? Nee, het maakt hem niet uit hoe laat wij vliegen. Of in welk hotel we zitten. Of hoe we van New York in Boston komen, waar mijn zus woont. En ‘Waarom zouden we nu al een treinkaartje kopen? Als we gewoon naar het treinstation gaan en de eerste de beste trein nemen hoeven we ons ook niet te haasten.’ Met als uitsmijter: ‘Regel jij het maar, ik vind alles best’. Ik dacht dat ik na 32 jaar wel had geleerd dat mensen in essentie niet veranderen. Ik hoop dat ik geen gelijk heb.


In: Trouw 12 april 2010