maandag 2 mei 2011

Niemandsland

Het terras van de Hema in de Kalvertoren heb ik nooit begrepen. Terrassen bestaan omdat je er in het zonnetje kan zitten. Niet alleen bevindt dit terras zich in een gebouw, het bevindt zich ook nog eens in de kelder van de Kalvertoren. Als je de roltrap omlaag neemt naar de Hema biedt dit terras een scharrige aanblik. Hier zit nooit iemand, behalve wat verdwaalde toeristen en duiven.
Op één man na dan. Een half jaar geleden merkte ik hem voor het eerst op. De man zat er ontspannen en genietend bij, alsof hij eigenlijk met zijn koffie in de lentezon op de Piazza Navona zat. Sindsdien kijk ik elke keer als ik in de Kalvertoren ben of de man er zit. En of ik nou in het weekend kom of door de week: de man zit er. Ik kon er niets van maken. De man zag er veel te net uit voor een zwerver, te ontspannen voor een shopper, en te gelukkig voor een gek.
Vorige week, ik had indexkaartjes gekocht voor mijn Hindilessen, zette ik mij over mijn schroom heen en vroeg de man of ik bij hem mocht zitten. Hij gebaarde naar de stoel tegenover hem, met een vanzelfsprekendheid alsof wij een afspraak hadden. Ik haalde een koffie en toen deed hij zijn verhaal. Vijf jaar geleden belandde hij bij toeval op dit terras, met zijn zoontje, schuilend voor een regenbui. De volgende dag kwam hij weer met zijn zoontje. De derde dag kwam hij alleen, en sindsdien zit hij min of meer elke dag op dezelfde plek. Soms van ’s ochtends vroeg tot sluitingstijd, soms maar voor een paar uur. Hij zit en observeert het stukje van de roltrap naar de Hema. ‘Het niemandsland’, noemde de man het. En voegde eraan toe: “Soms zou ik wel eens een boom willen zijn.” Dit zei hij op een manier waarop het niet gek klonk, wat ik knap vond.
Anderhalf uur praatten wij verder. Over andere, warmere landen, waar het volstrekt normaal is om zonder enig doel elke dag urenlang op dezelfde plek te zitten. Dat ik vroeger na het eten naar de A10 fietste die toen werd aangelegd, en uren naar het asfalt kon staren. Ik was er niet speciaal gelukkig, en het gaf mij geen filosofische openbaringen, maar voor mijn gevoel was het gewoon de juiste plek. We kwamen erachter dat wij persoonlijk heel erg veel dingen gemeen hebben. Al die tijd zat ik met mijn gezicht naar de Hema. De man gebaarde dat ik naast hem moest komen zitten, met zicht op de roltrap en de enorme lichtkoepel die mij nog nooit was opgevallen. Eigenlijk was het wel een lichte en geborgen plek, hier in de buik van de Kalvertoren. Tevreden nam ik de roltrap omhoog. Ik had mijn schroom overwonnen en een vriend erbij, en ook nog eens een vriend waar je altijd terecht kan.

In: Parool 29 april 2011. Eerdere columns verschenen in de bundel Van Moskou tot Medan (Prometheus)

2 opmerkingen:

kristavanderniet zei

Wat bijzonder deze column ! Ik kom zelf ook regelmatig bij de Hema in de Kalvertoren en deze man was mij vorig jaar al opgevallen...ik vertelde t zelfs tegen vriendinnen, zo fascinerend vond ik het.
Ging er ook steeds op letten of ie er zat, en jahoor altijd !
Ik vroeg me af waarom hij uitgerekend daar zat, en wat hij verder met zijn dag doet ? En waar hij vandaan komt, hij heeft iets mysterieus, Mediteraans, heel zelfverzekerd. Maar vorige week ben ik verhuisd naar A'dam-Oost en 'mijn' nieuwe Hema zit nu op de Middenweg: een Hema zonder terras en zonder deze man. Ik vind t mooi dat je hem hebt aangesproken en zo is t mysterie een beetje ontrafeld voor me. Groet Krista

Marieke zei

Wat een mooi verhaal, Jelle. Ik heb een brok in mijn keel.